Liefde is... jezelf in leven houden

Tussen 1963 en 1965 schreven de Zuid-Afrikaanse schrijvers André Brink en Ingrid Jonker elkaar vele liefdesbrieven. Wat hartstochtelijk begint, mondt uit in wederzijdse destructie.

Foto’s uit besproken boek, bewerking fotodienst Nrc

‘Jij bent onbezitbaar’, schrijft de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink (1935-2015) op 24 maart 1964 aan de dichteres Ingrid Jonker. Jonker en hij zijn dan bijna een jaar verwikkeld in een heftige relatie. Het zinnetje vat hun tragische liefdesgeschiedenis samen: een liefde die uitmondt in onmogelijkheid, wat vrij snel na dat definitieve besef leidt tot de zelfmoord van Jonker (1933-1965). Vaak is de schuld van haar zelfgekozen dood bij André Brink gelegd, die vlak daarvoor een brief had geschreven met de mededeling dat hij een andere vrouw had gevonden. De schitterende briefwisseling tussen de twee Zuid-Afrikaanse schrijvers, Vlam in de sneeuw, die nu in vertaling is uitgekomen, nuanceert dat beeld.

Het was op een namiddag op 15 april 1963 dat Ingrid Jonker een Kaapse voorkamer binnenstapte waar ze André Brink zag zitten. Haar donkerblonde krullen waren door de war geraakt door de zeelucht, haar bruine ogen stonden ‘schuw maar smeulend’, zou André Brink in 2009 over deze ontmoeting schrijven in zijn autobiografie Tweeluik. Brink, op dat moment beginnend schrijver en academicus, valt als een blok voor de dochter van apartheidsminister Abraham Jonker, die verantwoordelijk is voor het censuurbeleid in Zuid-Afrika. De liefde blijkt wederzijds en totaal overdonderend. Er is echter een probleem: Brink is getrouwd. Jonker is weliswaar gescheiden, maar heeft wel een knipperlichtrelatie met de twintig jaar oudere en minder bekende auteur Jack Cope.

Ondanks de problemen die op de loer liggen, gaan de twee een relatie aan die zich vooral in brieven zal uiten: Jonker woont in Kaapstad aan de West Kaap, Brink in de aan de Oost Kaap gelegen stad Grahamstown. Een jaar lang schrijven ze elkaar dagelijks, soms tweemaal daags. Daarnaast wisselen ze tapes uit met gesproken teksten en voorgedragen gedichten, sturen ze elkaar foto’s, knipsels en proberen ze elkaar zo vaak mogelijk te bellen of sturen ze een telegram. Ze citeren in hun brieven verzen die ze mooi vinden, waarbij opvallend veel Vijftigers aan bod komen, maar ook andere Nederlandse dichters, inclusief de door hen in 1963 bewonderde Cees Nooteboom. (Wie al die Nederlandse auteursnamen voorbij ziet komen, verwondert zich nog eens extra over de culturele boycot waartoe Nederland in 1977 overging.)

Schrijvend aftasten

Het begint allemaal met hartstochtelijke brieven van Brink, die enerzijds de meer ervaren schrijver is en bezig is met een roman, maar van de weeromstuit ook is gaan dichten. De brieven van Jonker beginnen wat voorzichtiger. Het is schrijvend aftasten en pogingen om de liefde bij en voor elkaar te bezweren. ‘Je moet goed op jezelf passen. En je moet gelukkig zijn’, schrijft Brink bijvoorbeeld wanneer Jonker hem vertelt hoeveel uur ze werkt en waarom ze een manuscript van hem nog niet heeft gelezen.

Even bezwerend is Jonker wanneer ze probeert haar ongedurigheid te verklaren: ‘Lieveling, mijn liefste, mijn André, er zijn zoveel manieren waarop we toch nog contact kunnen hebben, door en over en boven en onder en bij de Sahara! Je moet in me geloven. Weet je dat niemand dat ooit heeft gedaan? Je moet van me houden. Weet je dat niemand dat ooit heeft gedaan? Dáárom voel ik me zo onwaardig, en dáárom ben ik soms zo stil.’

Ze lezen elkaars werk in manuscriptvorm, waarbij ze elkaar vele lovende zinnen toespelen, maar Jonker ook kritisch door de teksten van Brink gaat en hem tips geeft voor de gedichten. Ook zorgen over geld, en veel seksuele fantasieën worden gedeeld. Bij vlagen heb je, wanneer Brink het weer eens over haar geschoren ‘kuikentje’ heeft of spermavlekken op een brief achterlaat, het idee een soort sekslijnbrieven te lezen. Zij het, en daardoor zijn deze brieven bij vlagen een prachtige roman over de onuitsprekelijkheid van liefde, dat ze constant naar woorden zoeken om uit te leggen hoeveel ze van elkaar houden.

Te veel smachten leidt tot eenzaamheid. Vooral Jonker heeft daar last van, al ligt Brink ook soms te huilen op de bank terwijl hij moet aanhoren hoe zijn vrouw het eten kauwt en over haar dag vertelt. ‘Ze heeft het niet eens in de gaten’, klaagt hij zijn nood bij Jonker.

Zij lijkt de eenzaamste van de twee. Jonker heeft weliswaar haar dochter, maar heeft intussen aan Jack Cope te kennen gegeven dat ze voor Brink kiest. Cope blijft dan wel aanwezig, maar de afstand tussen de twee wordt groter. Brinks vrouw heeft ook wel iets in de gaten, zegt soms dat ze van hem walgt en vertrekt voor enkele weken naar zijn moeder, maar het is Brink er toch vooral om te doen zijn liefde aan Jonker te verklaren mits die zo lang mogelijk geheim blijft. Zorgen over mogelijke roddels bij de universitaire dorpspomp deelt hij veelvuldig. Een hoogtepunt van zijn angst voor de buitenwereld is het moment dat hij aan Jonker schrijft dat hij bang is dat zijn vader een tromboseaanval heeft gehad omdat zijn ouders zouden vermoeden dat hij zijn echtgenote ontrouw zou zijn.

Die angst voor het uitkomen van zijn ontrouw wordt afgewisseld met gemijmer over de benauwdheid van Zuid-Afrika. Fijntjes koppelt Brink die aan de kritiek die hij krijgt op zijn roman Lobola voor het leven. Zijn critici vinden het een boek dat alleen een landverrader geschreven kan hebben, en té oncalvinistisch bovendien – een etiket dat Brink begrijpelijk interpreteert als een geuzennaam. Jonker daarentegen is overdonderd wanneer haar gedichten door derden worden weggezet als ‘te sensitief’. Ook krijgt zij het voor haar kiezen wanneer wederzijdse vrienden haar verantwoordelijk houden voor het kapotgaan van het huwelijk van Brink.

Hunkering en hoop

Ondertussen wacht Jonker op de bezoekjes van Brink. Hoewel Brink al snel hoopt op een kind dat ze samen zullen krijgen of een vlucht naar Griekenland om een nieuw bestaan op te bouwen, schrijft hij op 21 augustus 1963: ‘Zo te zien is er voor ons sámen in dit stadium niets anders weggelegd dan hunkering en hoop.’

Een situatie waar Jonker duidelijk meer moeite mee heeft. ‘Ik heb geen zelfmedelijden, ben ook niet bitter, alleen MOE. Die dingen dreigen de hele tijd om me het beetje licht (talent!) dat me gegeven is, te ontnemen. Want het kan worden afgenomen. Elke grijze dag is een afstomping. En na deze tirade wil ik je laten zien hoe jouw liefde me door de dingen draagt. Weet je hoe ik dat laat zien? Misschien alleen doordat ik nog leef.’

Brink is er echter van overtuigd dat ze samen besluiten dat hun relatie niet zal uitmonden in een huwelijk, maar dat ze er wat hem betreft wel zijn om zich aan elkaar te geven en er voor elkaar te zijn in een innige liefdesband. Wanneer het budget en het thuisfront het toelaten komt hij dan ook naar Kaapstad.

De bezoekjes verlopen hartstochtelijk, maar bepaald niet vlekkeloos. Daags na vertrek komen er wederzijds brieven waarin beiden zich verontschuldigen voor hun gedrag. Zo schrijft Brink: ‘Over de onvergefelijke pijn die ik je heb aangedaan kan ik niets toereikends zeggen of vragen.’

De ondraaglijkheid van elkaars aan- en afwezigheid wordt op de spits gedreven wanneer Jonker in de lente van 1964 voor enkele maanden naar Europa vertrekt met het prijzengeld dat ze heeft gekregen voor haar bundel Rook & oker. Ze vertrekt naar Amsterdam – van waaruit ze schrijft ‘Neem me niet kwalijk dat ik voorlopig niet tegen de Amsterdammers kan met hun verdomde vooroordelen tegen alles wat Zuid-Afrika, Duits of Engels is’ – en smeekt Brink zo snel mogelijk bij haar te komen. Aldus geschiedt, met onvoorziene rampzalige gevolgen.

Samen gaan ze via Parijs naar Spanje waar Brink met enkele uitgevers zal praten over vertaling van zijn werk. Jonker voelt zich achtergelaten op de dagen dat ze alleen in een hotel Barcelona blijft. ‘Onze hele relatie kreeg een fatale destructiviteit, begon zelfs zelfvernietigend te worden’, schrijft Brink in zijn autobiografie. Jonker heeft het idee dat Brink haar wil afschepen, schrijft ze in haar dagboek. Terug in het hotel – in de monumentale met groen marmer aangeklede lobby – raakt ze buiten zinnen van woede en frustratie. Zo kan het niet langer, deelt ze Brink mee.

‘Binnen vierentwintig uur wordt besloten dat het beter zal zijn als ze teruggaat naar Parijs’, schrijft Henk van Woerden in zijn mooie biografische schets over Jonker. De in Parijs wonende schrijver Breyten Breytenbach vangt haar daar op en laat haar wegens de zelfvernietigingsdrang die zich van haar meester lijkt te maken een tijd opnemen in een psychiatrische kliniek. Na het ontslag uit de kliniek keert ze terug naar Kaapstad. In haar brieven aan Brink waarin ze haar best doet de draad weer op te pakken, heeft ze het over een ‘Europese nederlaag’.

‘Ik leef niet graag meer’

Eenmaal terug in Kaapstad vindt ze niet het geluk waarop ze hoopte toen ze uit Parijs vertrok. Jack Cope heeft afstand van haar genomen, André Brink schrijft nog wel brieven, maar de hartstocht lijkt eerder een verplichting dan daadwerkelijk te branden. De ervaringen in Spanje omschrijft hij als een ‘stille verwijdering’. Jonker antwoordt de ene keer hartstochtelijk, de andere keer claimend en dan weer desolaat – uitmondend in het zinnetje ‘Ik leef niet graag meer’.

De laatste brief komt van Brink. Op 27 april 1965 – twee jaar en zes dagen na zijn eerste brief – schrijft hij: ‘Ja. Ik was bij haar [de actrice Salomi Louw]. En we zijn met elkaar naar bed geweest. Ik sta naakt voor je; ik wíl geen kleren of bescherming behouden. Ik mag niet eens vergiffenis vragen, want dat impliceert schuld – en net zo min als ik ooit schuld kan voelen over jou en mij, kan ik me hier schuldig om voelen. Ik weet alleen: het is iets ver-schrikkelijks om te doen – om dít te moeten vertellen, aan jou, nu. Meer weet ik niet. Alleen dat jij onvervangbaar bent in mijn hart. En dat jouw geluk me altijd ter harte zal blijven gaan. Ik ben in de handen van de levende God. En ik groet je, mijn Cocon [de koosnaam van Brink voor Jonker]. Met tranen. En met liefs. André.’

Zijn huwelijk met Salomi Louw bleef kortstondig. Ingrid Jonker liep op 19 juli de zee in om door een passant later die ochtend dood op het strand teruggevonden te worden. ‘Hoe voorspelbaar het achteraf gezien ook lijkt, toen het gebeurde was het niet te verdragen en niet te geloven. Ik voelde de wereld voor mijn ogen donker worden. De rest van de dag was ik blind en kon ik niet zien’, vat Brink in zijn autobiografie de uitwerking van haar dood op hem samen. Uit angst voor de confrontatie met Jack Cope en de pers is hij afwezig bij haar begrafenis.

    • Toef Jaeger