Het wonder

Het vroor dat het kraakte, op de vijvers van Biljoen lag vijftien centimeter ijs. Mijn vader ging schaatsen. Op de grasbult strikte hij zijn noren. Mijn vader kon niet schaatsen, maar had zelf het idee dat het steeds beter ging. Zonder het zelf te weten sloeg hij met de rubberen beschermhoezen iedereen die hem passeerde in het gezicht. Als ze hem iets toeschreeuwden – ‘Hee lul, kijk uit’ was zo’n zin – verstond hij dat niet en groette hij vriendelijk terug. „Ja, heerlijk hè?” hoorden we hem ooit roepen tegen een jongen die hij even tevoren had geslagen.

Na afloop was hij zijn trouwring kwijt.

Mijn hele puberteit hebben we op de grasbult naar die trouwring gezocht. Een keer met de metaaldetector van tante Tiny. Zij wist ergens een fictieve schat met Merovingische munten te liggen en had dus veel ervaring met haar metaaldetector, die ze met een handige draaiknop kon afstellen op ‘goud’. Dat ding zoemde de hele tijd, alleen zij wist wanneer het ‘een goede zoem’ was. Dus toen zij het commando ‘graven’ gaf begonnen we te graven. We hakten ons door boomwortels en vonden een waterleiding.

Een andere keer hebben we onder leiding van mijn vader een braamstruik vermoord voor een glinsterende melkdop.

‘Het wonder’ kwam onverwachts, vier weken voor zijn dood toen hij met de chemo in zijn lijf voor de laatste keer de heg snoeide. Hij had ook al voor het laatst de wijnstruik gesnoeid en voor het laatst belastingaangifte gedaan. Hij vond de trouwring onder de heg. Opgewonden kwam hij binnen stiefelen, maar mijn moeder had (niet voor het laatst) de bloemkool laten aanbranden.

Gebeurde er een keer een wonder, moest zij dat weer verpesten.

Na zijn dood schoof mijn moeder de ring van zijn vinger. Ze stopte hem in het tinnen vaasje op het antieke kastje, waaruit hij op mysterieuze wijze uit verdween. Ze heeft er een huishoudelijke hulp vuil voor aangekeken, totdat de ring onverwachts weer opdook van onder een matras. Een paar maanden later gaf ze mij de ring cadeau op mijn verjaardag.

De ring was te klein voor mijn vingers, ik legde hem op de schouw.

Op de dag dat hij verdween panikeerde ik niet. De Vriendin vroeg waarom ik niets deed, was zij mij dan had ze het huis ervoor op de kop gezet. Hij liet een jaar op zich wachten, maar gisteren rolde hij dan toch uit de stofzuigerslang. Ik was blij, maar vond ‘het wonder’ inmiddels heel gewoon.

    • Marcel van Roosmalen