Duinpoëzie op Oerol

Duinwandeltheater vol eilandpoëzie valt er tijdens Oerol op Terschelling te beleven, en ook slapstick en geëngageerd theater.

De voorstelling OER van collectief BOG op festival Oerol

Onder je voeten de littekens van het land, zegt de zachte, sensuele vrouwenstem die komt uit het boxje boven mijn hoofd. Van iemand van de Peergroup, de makers van theaterproject Levende Duinen, heb ik een rugzak met geluidsconstructie aangehangen gekregen. Zo maak ik mijn ‘luisterwandeling’ door een duin- en heidegebied in het verre oosten van Terschelling. „Onder je voeten de zeekaart van dat wat is geweest”, fluistert de engel boven mij.

Ik volgt de paaltjes die de route vormen. Het landschap is heuvelachtig genoeg om me alleen te wanen – al starten de deelnemers om de drie minuten. „Niet omkijken, blijven lopen.” De stem is een metgezel, net als de muziek. Onder en tussen de fragmentarische teksten door bromt en pulseert een soundscape, gecomponeerd voor het land, maar met de diep borrelende klank van onderwatermuziek.

Uit de woorden spreekt vertrouwdheid met het land, en gewenning aan verlies en vergankelijkheid. „Alles hier is nog nooit zo geweest.” De fysieke strijd die je als wandelaar zelf voert met het mulle zand en de hitte voel je ook in de teksten, die soms bedoeld of onbedoeld poëtisch aandoen. Langzaam drijven mijn gedachten af onder de loom makende massage van stem en muziek. De brandende zon herinnert aan Gorter: „Een koepel van blind licht, mild nevelend, omgeeft mijn aangezicht.”

„Je huilt. Sediment van zeeraket”, zegt de stem. Maar net als ik op een duintop sta en geniet van een verkwikkende windvlaag. Een briesje liefkoost mijn huid, zoals Mustafa Stitou dichtte.

Ik moet blijven lopen en de stem wint mijn aandacht terug met de mooiste regel van het uur lopen: „Zolang we samen op hetzelfde eiland slapen, ademen we dezelfde kust.”

Levende Duinen is theater waar je voor naar Oerol komt, een sublieme symbiose van mens, taal en natuur. Het is bijna jammer om na afloop van de makers, Marin de Boer en Marleen van der Werf , te horen dat alle teksten toebehoren aan eilanders. De wetenschap dat het project authentieke wortels heeft, vermindert ook het raadsel van de wonderlijke zinnen.

Het thema tijd en vergankelijkheid heeft Levende Duinen gemeen met een handvol andere voorstellingen op Oerol. Zo zijn er deze editie wel meer lijnen te trekken na het zien van 12 van de 35 voorstellingen: twee dystopische, ecologische sprookjes over de opwarming van de aarde, twee voorstellingen waarin acteurs elkaar in het gezicht spuwen, en meerdere voorstellingen waarin performers dingen doen die ze niet kunnen en zouden moeten laten: acteurs die zingen, muzikanten die dansen.

Tijd is nadrukkelijk het onderwerp van Windstilleven van Collectief Walden. De bezoekers worden vergast op een college over de Franse denker Henri Bergson, die stelde dat door tijd alles verandert en niets blijft zoals het is. De verleden tijd is verloren tijd en alles wat de mens kan doen is vasthouden of loslaten, stelde hij. Zonde dat het collectief zich zo verschanst in een academisch fort. Dan liever een verhaal over oma die sterft op het grindpad. Dat spreekt meer tot de verbeelding dan een lesje Marcel Proust en de werking van zijn Madeleine, het koekje dat een stroom van herinneringen op gang brengt naar zijn jeugd.

Meer theater steekt er in de opsluiting van het publiek in een metalen kubus. De benauwdheid die dat oplevert, geeft gelegenheid om de eigen tijd op aarde te overpeinzen.

Een vergelijkbare uitnodiging, maar dwingender en creatiever, gaat er uit van Curve van Boukje Schweigman, een van de festivallievelingen op Oerol. Op het Geitenpark ligt een enorme ronde witte buis, waar de bezoeker op het trage tempo van hamerslagen naartoe loopt. De schoenen moeten uit en dan betreed je op slofjes een helwitte wereld, een ronde gang, slechts gevuld met een hypnotiserende soundscape. Het contact met het zachte gras onder je voeten is strelend, bijna erotisch.

Curve werpt je terug op jezelf. Al snel ervaar je dat het wandelen zonder begin of eind is. Door de tunnel gaan is als geboren worden, of sterven, maar omdat het maar doorgaat moet het wel de fase ertussen zijn, het leven zelf. Als je zover bent, komt Schweigman met een sterke verrassing, die de ervaring intensiveert. Curve is te zien als symbool voor de zin van het leven.

Het ervaringstheater dat de bezoeker dwingt tot verinnerlijking springt er bovenuit op dit Oerol, maar er is ook sprankelend geëngageerd toneel dat midden in de actualiteit staat: George en Eran lossen Wereldvrede op, deel 3. In deze finale van hun bijzondere trilogie zetten Eran Ben-Michaël zijn joods-Israëlische afkomst en George Tobal zijn Syrische afkomst in voor een even geestige als pijnlijke blik op wat mensen tot vijanden maakt.

Samen doen ze verslag van hun persoonlijke inspanningen om te begrijpen hoe vrede zou kunnen ontstaan. Dat leidt, begeleid door een invoelend meespelend muziektrio, onder meer tot een koddige impressie van een seminar met alle geledingen uit het Midden-Oosten die razendsnel ontspoort en tot grappen over ‘asielclowns’, een nevenproduct van de cliniclown. En George vraagt het publiek wat het bereid is te geven voor wereldvrede: 5.000 euro? Een vinger? Een arm? Je leven?

Waar ze zelf na ontboezemingen en verwijten over en weer op uitkomen is dat beledigingen kunnen incasseren een onmisbare verworvenheid voor vrede is. Trots en eer moeten wijken. George accepteert discriminatie, zegt hij. „Ik ben een brug. Mensen lopen graag over mij heen.”

Dit is geen theater dat je per se op een houten bank in de buitenlucht moet zien, maar wel zo superieur geacteerd en bij vlagen vlijmscherp dat het gezien dient te worden.

Dat laatste gaat ook op voor Walden van het Ro Theater, waarin Arjan Ederveen en Jack Wouterse twee bejaarde broers spelen die aan het tuinieren zijn. Het is prachtig hoe ze traag en bibberend van oudheid op gang komen. De plot is niet meer dan een brief met slecht nieuws die Ederveen voor Wouterse geheim houdt. Maar waar het echt om draait zijn de handvol heerlijk komische scènes, waarin beide mannen hun acteerkunst (Wouterse) en komisch talent (Ederveen) tonen.

Twee zulke grote namen op Oerol zijn eigenlijk hors concours voor dit alternatieve theaterfestival. Dan is het ook extra spijtig als enkele festivaltoppers van afgelopen jaren teleurstellen. Bog laat in Oer voor het eerst het radicale vormexperiment van hun vierstemmige woordenstroom los, in ruil voor drie monologen. Ondanks dat er weer fijnzinnige zinnetjes blinken in hun filosofische reflecties is het geheel toch monotoner dan goed is.

En Moermans & Sons/ NNT zijn toe aan hun derde Crashtest Ibsen, maar de kracht van hun dubbelgelaagde omkeringen lijkt in Ik zie Spoken te zijn uitgewerkt.

De Ibsen-bewerking is weer lenig en inventief, maar dat helpt niet als de acteurs allemaal even hard, hoekig en in hetzelfde tempo spreken.

Wat ontbreekt, is de gebruikelijke speelsheid in de regie die het ondermijnen van het drama compenseert. Als er niets is behalve personages die demonstreren hoe fictief zij en hun woorden zijn, dan staar je als toeschouwer uiteindelijk in een postmoderne leegte. Daar helpen geen feeërieke lichten in een nachtelijk Bostheater op Terschelling aan.