Recensie

Van Beatle naar hobbyboer

Morgen staat Paul McCartney op Pinkpop. 46 jaar na The Beatles probeert hij nog altijd uit de schaduw van John Lennon te komen. Nu krijgt hij hulp van zijn biograaf.

Paul McCartney met zijn hond Martha, waar hij ‘Martha, my dear’ over schreef, Foto Camera Press

Paul McCartney wordt vaak weggezet als olijke positivo en zanger van sentimentele draken als ‘Ebony and Ivory’ en ‘Mull of Kintyre’, maar hij is toevallig wel de enige Beatle die ooit in de gevangenis heeft gezeten.

In 1980 brengt hij negen dagen door in een Japanse gevangenis nadat de douane twee ons wiet in zijn koffer vond. Aanvankelijk slaapt McCartney op een matje met zijn billen tegen de muur gedrukt, doodsbang dat hij verkracht wordt, maar de veerkrachtige optimist vindt snel zijn draai. Niemand spreekt Engels, hij communiceert met de andere gevangenen door Japanse automerken te roepen: „Toyota! Kawasaki! Datsun!” Ze zingen met zijn allen onder de douche de Amerikaanse evergreen When the red, red robin comes bob, bob, bobbin’ along.

Eigenlijk had biograaf Philip Norman een hekel aan Paul McCartney. Voor Norman was John Lennon de belangrijkste man van The Beatles. Niet McCartney. Hij schreef in 2008 een biografie over Lennon en poneerde toen: „Lennon was driekwart van The Beatles”. Hij stond daarin niet alleen. Bij de Beatlesfans heb je twee kampen, waarin de Lennon-aanhangers lange tijd overheersten. Lennon was tenminste een echte rockster: een bohemien die zijn romantisch tragisch leven verwerkte in zijn muziek. En dan werd hij ook nog doodgeschoten. Daarbij vergeleken was die McCartney maar een blije eikel, een handige hitmaker.

McCartney probeert al jaren zijn imago bij te stellen. Nee, hij was juist degene die zich in de jaren zestig in de artistieke kringen van Swinging Londen begaf, terwijl de andere Beatles – ook Lennon – naast hun echtgenote op de bank in de buitenwijk zaten. Hij was degene die het experiment in The Beatles bracht en ervoor zorgde dat popmuziek een serieus te nemen kunst werd. Hij was überhaupt muzikaal de meest begaafde Beatle.

En nu is ook Philip Norman om. De bekeerling schreef een uitputtende biografie, met medewerking van McCartney, waarin de zanger eindelijk eens recht wordt gedaan. Een biografie bovendien, die zijn leven als één geheel beschouwt, in plaats van zich te concentreren op de tien Beatlesjaren, en de 46 jaren daarna af te doen als een voetnoot. Rehabilitatie!

De anderen zijn bijfiguren

Als Norman de Beatlesjaren beschrijft, blijkt er iets vreemds aan de hand met dit boek. Norman concentreert zich op de momenten dat McCartney niet met The Beatles is en iets voor zichzelf aan het doen is. We komen nauwelijks in de opnamestudio, de andere bandleden worden bijfiguren in McCartneys leven. Daardoor krijg je een goed beeld van hoe McCartney de invloeden van artistiek Londen opzuigt, maar het is wel vertekenend. Vooral John Lennon komt er bekaaid vanaf. Normans vroegere held speelt nu een bijrol als nukkige en agressieve pestkop. Misschien dacht Norman: ‘Dat verhaal van The Beatles is al zo vaak verteld, laat ik me concentreren op de aanvullende informatie.’

In 1970, in de maanden nadat McCartney de band heeft verlaten trekt hij zich terug op zijn boerderij in het Schotse Mull of Kintyre, met zijn vrouw Linda en hun dochters. Daar raakte de werklustige optimist in een depressie. Hij ligt de hele dag op bed wiet te roken en whisky te drinken. In zijn dromen wordt hij achtervolgd door de louche Beatlesmanager Allen Klein als tandarts met een injectienaald. Vooral de breuk met Lennon is een dramatische scheiding, die nooit meer helemaal goed komt. Op zijn 29ste voelt hij zich afgedankt, een werkloze. „Het is alsof je astronaut bent geweest, en je hebt op de maan gestaan. Wat doe je dan met de rest van je leven?” Een vriend probeert hem op te beuren: „Kop op, je hebt ‘Yesterday’ geschreven, je zult altijd je heroïnerekening kunnen betalen.”

Wat de anti-McCartney-lobby hem nadraagt is dat de zanger altijd heeft geprobeerd om een min of meer normaal gezinsleven te leiden. „Burgerlijk”, vinden de critici. Dus geen seks en drugs en rock-‘n-roll, maar gezinsgeluk op de boerderij. Ondanks zijn abnormale leven als Beatle, waardoor hij nooit normaal over straat kan, en ondanks zijn rijkdom, wil hij zo graag gewoon zijn. En het wonderlijke is, volgens Norman, dat hij daar redelijk in slaagt. McCartney is gelukkig getrouwd, hij is een goede vader, hij houdt van klussen, hij heeft veel hobbydieren, en hij neemt zijn gezin mee op tournee.

Kippen in de Rolls-Royce

Natuurlijk is zijn leven nooit écht normaal. Zo is hij nogal rijk voor een hobbyboer, hij heeft 400 miljoen pond. Op een nacht laat hij het raampje van zijn Rolls-Royce openstaan. De kippen trekken er meteen in en schijten het hele interieur onder. Als een bezoeker bezorgd informeert of de paarden het ’s winters niet koud hebben in de stal, gromt McCartney: „Hou je kop, de stal heeft vloerverwarming.” In 1998, als McCartneys vrouw overlijdt, wordt de kerkdienst bijgewoond door twee van haar pony’s.

Mooie verhalen, maar waar is de muziek? Norman beschrijft keurig het opnemen, verschijnen en de receptie van de pakweg veertig solo-albums. Maar hij schrijft vrijwel niets over wat erop staat. Bij een eerherstel van „de grootste componist van de twintigste eeuw” die Norman een paar keer met Schubert vergelijkt, zou je toch ook een grondige analyse en een vurig pleidooi voor McCartneys muziek verwachten. En er is genoeg reden voor, want ook als soloartiest heeft McCartney prachtige liedjes gemaakt, Van ‘Maybe I’m Amazed’ (1970) tot ‘Jenny Wren’ (2005).

Norman doet zijn best om ook de mindere kant van zijn nieuwe idool te laten zien: McCartney is irritant bazig, hij betaalt zijn bandleden te weinig, en hij dicteert ze noot voor noot wat ze moeten spelen. Als Linda met een spookschrijver bezig is aan haar autobiografie, slaat McCartney met zijn vuist op de keukentafel en zegt: „Er kan hier in huis maar één de ster zijn, verdomme!” Misschien kan het ook niet anders als je vanaf je negentiende altijd in het middelpunt van de belangstelling staat en in de watten wordt gelegd. Toch blijft het beeld overeind van een popster die, ondanks zijn krankzinnige leven, gewoon een aardig, hardwerkend genie is.

En voor de geloofwaardigheid als ruige rocker kan McCartney bogen op zijn Japanse celdagen. Zelfs daar haalt hij nog wat positiefs uit. In de cel viel een last van hem af, zegt hij. Hier was hij even niet de wereldberoemde Beatle met een miljoenenbedrijf. Hij hoefde even niets, hij was even niemand. ’s Avonds schreeuwde een getatoeëerde Japanse gangster, die zat voor moord, vanuit zijn cel: „‘Yesterday’, please!” En natuurlijk zong McCartney zijn klassieker voor de van Japanse criminelen.

    • Wilfred Takken