Van Beatle naar hobbyboer

Popmuziek Gisteren stond Paul McCartney op Pinkpop. Na 46 jaar probeert hij nog altijd uit de schaduw van John Lennon te komen. Nu krijgt hij hulp van zijn biograaf.

Paul en Linda McCartney met hun hond Martha bij High Park Farm in het Schotse Mull of Kintyre (januari 1970). foto getty images

Paul McCartney wordt vaak weggezet als olijke positivo en zanger van sentimentele draken als Ebony and Ivory en Mull of Kintyre, maar hij is toevallig wel de enige Beatle die ooit in de gevangenis heeft gezeten.

In 1980 brengt hij negen dagen door in een Japanse gevangenis nadat de douane twee ons wiet in zijn koffer vond. Aanvankelijk slaapt McCartney op een matje met zijn billen tegen de muur gedrukt, doodsbang dat hij verkracht wordt, maar de veerkrachtige optimist vindt snel zijn draai. Niemand spreekt Engels, hij communiceert met de andere gevangenen door Japanse automerken te roepen: „Toyota! Kawasaki! Datsun!” Ze zingen met zijn allen onder de douche de Amerikaanse evergreen When the red, red robin comes bob, bob, bobbin&apos along.

Eigenlijk had biograaf Philip Norman een hekel aan Paul McCartney. Voor Norman was John Lennon de belangrijkste man van The Beatles. Niet McCartney. Hij schreef in 2008 een biografie over Lennon en poneerde toen: „Lennon was driekwart van The Beatles.” Hij stond daarin niet alleen. Bij de Beatlesfans heb je twee kampen, waarin de Lennon-aanhangers lange tijd overheersten. Lennon was tenminste een echte rock ‘n’ roll-held: een bohemien die zijn romantisch-tragisch leven verwerkte in zijn muziek. En dan werd hij ook nog doodgeschoten. Daarbij vergeleken was die McCartney maar een blije eikel, een handige hitmaker.

McCartney probeert al jaren zijn imago bij te stellen. Nee, hij was juist degene die zich in de jaren zestig in de artistieke kringen van Swinging London begaf, terwijl de andere Beatles – ook Lennon – naast hun echtgenote op de bank in de buitenwijk zaten. Hij was degene die het experiment in The Beatles bracht en ervoor zorgde dat popmuziek een serieus te nemen kunst werd. Hij was überhaupt muzikaal de meest begaafde Beatle.

En nu is ook Philip Norman om. De bekeerling schreef een uitputtende biografie, met medewerking van McCartney, waarin de zanger eindelijk eens recht wordt gedaan. Een biografie bovendien, die zijn leven als één geheel beschouwt, in plaats van zich te concentreren op de tien Beatlesjaren, en de 46 jaren daarna af te doen als een voetnoot. Rehabilitatie!

De 20 beste solo-liedjes van Paul McCartney:

Het uit de weg ruimen van de misverstanden begint al bij zijn jeugd. Nee, John Lennon is niet de arme arbeiderszoon en McCartney het verwende middenstanderszoontje. Het is precies andersom. Wel weer in character is dat McCartney zijn eerste optreden met de band van Lennon mist omdat hij naar de padvinders moet. Norman schetst een gelukkige jeugd, ondanks de vroege dood van McCartneys moeder Mary (vereeuwigd in Let It Be), in een warm huis vol tantes en ooms die van ieder samenzijn een feestelijke zangavond maken. Zijn vader wordt neergezet als een geweldige man – in de jaren twintig was hij bandleider van Jim Mac’s Jazz Band (die model stond voor Sgt. Pepper’s Lonely Heart Club Band) – die McCartneys liefde voor populaire muziek van vóór Elvis voedde. Hij hield zijn zoon voor: „Leer piano spelen, dan word je altijd op feestjes uitgenodigd.”

Als Norman de Beatles-jaren beschrijft, blijkt er iets vreemds aan de hand met dit boek. Norman concentreert zich op de momenten dat McCartney niet met The Beatles is en iets voor zichzelf aan het doen is. We komen nauwelijks in de opnamestudio, de andere bandleden worden bijfiguren in McCartneys leven. Daardoor krijg je een goed beeld van hoe McCartney de invloeden van artistiek Londen opzuigt, maar het is wel vertekenend. Misschien dacht Norman: ‘Dat verhaal van The Beatles is al zo vaak verteld, laat ik me concentreren op de aanvullende informatie.’

Lennon in bijrol als pestkop

Vooral John Lennon komt er bekaaid vanaf. Normans vroegere held speelt nu een bijrol als nukkige en agressieve pestkop, die McCartney nooit de complimenten geeft waar hij naar snakt. Alle roem van de wereld kan niet opwegen tegen één goedkeurend hoofdknikje van zijn vriend. Natuurlijk, Norman heeft al een boek over Lennon geschreven (precies even dik als dit boek: 864 pagina’s), maar je zou veel meer willen weten over de relatie van die twee. Je wil toch graag zien wat er gebeurt als McCartney en Lennon samen op hun kamer zitten te componeren. Misschien moet hij nog een boek schrijven: The Ballad of John and Paul.

In 1970, in de maanden nadat McCartney de band heeft verlaten trekt hij zich terug op zijn boerderij in het Schotse Mull of Kintyre, met zijn vrouw Linda en hun dochters. Daar raakte de werklustige optimist in een depressie. Hij ligt de hele dag op bed wiet te roken en whisky te drinken. In zijn dromen wordt hij achtervolgd door de louche Beatlesmanager Allen Klein als tandarts met een injectienaald. Vooral de breuk met Lennon is een dramatische scheiding, die nooit meer helemaal goed komt. Op zijn 29ste voelt hij zich afgedankt, een werkloze. „Het is alsof je astronaut bent geweest, en je hebt op de maan gestaan. Wat doe je dan met de rest van je leven?” Een vriend probeert hem op te beuren: „Kop op, je hebt Yesterday geschreven, je zult altijd je heroïnerekening kunnen betalen.”

Wat de anti-McCartney-lobby hem nadraagt is dat de zanger altijd heeft geprobeerd om een min of meer normaal gezinsleven te leiden. „Burgerlijk”, vinden de critici. Dus geen seks en drugs en rock ‘n’ roll, maar gezinsgeluk op de boerderij. Ondanks zijn abnormale leven als Beatle, waardoor hij nooit normaal over straat kan, en ondanks zijn rijkdom, wil hij zo graag gewoon zijn. En het wonderlijke is, volgens Norman, dat hij er redelijk in slaagt. McCartney is gelukkig getrouwd, hij is een goede vader, hij houdt van klussen, hij heeft een flinke stapel hobbydieren, en hij neemt zijn gezin mee op tournee.

Foto Camera Press

McCartney in 1968 met zijn hond Martha, die hij vereeuwigde in ‘Martha, My Dear’. Hij schreef ook een lied voor zijn hond Jet. Foto Camera Press

Kippen in de Rolls-Royce

Dit leven op het land is natuurlijk nooit écht normaal. Zo is hij nogal rijk voor een hobbyboer. Op een nacht laat hij het raampje van zijn Rolls-Royce openstaan. De kippen trekken er meteen in en schijten het hele interieur onder. Als een bezoeker bezorgd informeert of de paarden het ’s winters niet koud hebben in de stal, gromt McCartney: „Hou je kop, de stal heeft vloerverwarming.”

Collega Michael Jackson – met wie McCartney begin jaren tachtig twee hits opneemt – komt ook langs op de boerderij. Hij ziet de kinderen gelukkig tussen de dieren spelen en zegt: „Had ik ook maar zo’n mooie jeugd gehad.” De kinderen bieden hem meteen aan dat hij best een stukje mag paardrijden. Jackson: „Nee, ik mag niet vies worden.” Later dat bezoek onthult hij dat hij zich zo heeft vereenzelvigd met zijn held Peter Pan, dat hij inmiddels daadwerkelijk kan vliegen.

Bij Linda’s rouwdienst waren twee pony’s aanwezig

Het boek is ook een monument voor Linda Eastman, met wie Paul drie decennia lang gelukkig getrouwd was. De Amerikaanse popfotograaf, en voorvechter van het vegetarisme en dierenrechten, krijgt zelf veel succes met een vegetarisch kookboek en een vegetarische voedsellijn, die in het eerste jaar meer opbrengt dan de platen van haar man. In 1998 sterft zij op 56-jarige leeftijd aan kanker. Bij leven werd zij door de pers en de Beatlesfans altijd met hoon en haat overladen, nu wordt zij heilig verklaard. Bij haar begrafenis zijn in de kerk ook twee van haar pony’s aanwezig.

Hierna trouwt ‘Macca’ met Heather Mills, een voormalig fotomodel met één been, dat zich inzet voor allerlei goede doelen. Dankzij haar zal McCartney een paar jaar lang vaker in de boulevardbladen komen dan in de muziekbladen. ‘Mucca’ (McMest), zoals de bladen haar dopen, heeft een verzwegen verleden als pornoactrice, ze heeft belangrijke delen van haar biografie gefabuleerd, en ze ontpopt zich bij de scheiding tot een ex uit de hel, die alle vuile was buitenhangt. De bladen trekken unaniem partij voor McCartney. Mills draait hem een poot uit van vijftien miljoen pond, maar ze kan zich nergens meer vertonen.

Dit nogal breed uitgemeten huwelijksschandaal leest natuurlijk heerlijk weg, maar dat is wel het moment dat er iets begint te knagen: waar is de muziek? Norman beschrijft keurig het opnemen, verschijnen en de receptie van de pakweg veertig solo-albums. Het vaste patroon: de critici sabelen de plaat neer, de fans kopen hem toch. Zelfs van een “flop” zet McCartney er nog een paar miljoen weg.

Maar Norman schrijft vrijwel niets over wat er op die platen staat. Bij een eerherstel van „de grootste componist van de twintigste eeuw” die Norman een paar keer met Schubert vergelijkt, zou je toch ook een grondige analyse en een vurig pleidooi voor McCartneys muziek verwachten. En er is genoeg reden voor, want hoewel de spoeling soms erg dun werd - zeker vergeleken met de creatieve explosie in de Beatlesjaren - ook als solozanger heeft McCartney prachtige liedjes gemaakt, van Maybe I’m Amazed (1970) tot Jenny Wren (2005).

Norman doet zijn best om ook de mindere kant van zijn nieuwe idool te laten zien: McCartney is irritant bazig, hij betaalt zijn bandleden te weinig, en hij dicteert ze noot voor noot wat ze moeten spelen. Als Linda met een spookschrijver bezig is aan haar autobiografie, slaat McCartney met zijn vuist op de keukentafel en zegt: „Er kan verdomme in dit huis maar eentje de ster zijn!” Misschien kan het ook niet anders als je vanaf je negentiende altijd in het middelpunt staat en in de watten wordt gelegd. Toch blijft het beeld overeind van een popster die, ondanks zijn krankzinnige leven, gewoon een aardig, hardwerkend genie is.

En voor de geloofwaardigheid als ruige rocker kan McCartney bogen op zijn dagen in de Japanse cel. Zelfs daar haalt hij wat positiefs uit. In de cel viel een last van hem af. Hier was hij even niet de beroemde Beatle met een miljoenenbedrijf. Hij hoefde even niets, hij was even niemand. ’s Avonds riep een getatoeëerde yakuza, die zat voor moord, vanuit zijn cel: „Yesterday, please!” En natuurlijk zong McCartney zijn klassieker voor het onzichtbare publiek van Japanse criminelen.

    • Wilfred Takken