Stroomfabriek Doggersbank

De politiek en de industrie zijn er klaar voor: de aanleg van duizenden windmolens op de Noordzee. En: méér Europa op zee.

Animatie van het Dogger-eiland, een verdeelpunt dat stroom levert aan verschillende landen. De markt bepaalt hoeveel naar wel land gaat: de meeste stroom naar de hoogste bieder. Animatie TenneT

Gaan we de Noordzee volbouwen met windmolens? Wordt de Doggersbank de duurzame energiecentrale van de toekomst?

Om de uitstoot van CO2 in 2050 terug te brengen tot bijna nul ten opzichte van 1990 – de Europese ambitie – zijn enorme hoeveelheden duurzame energie nodig. Met meer zonne-energie alleen komen we er niet, niet alleen niet in Nederland, maar in heel Europa niet. Er is ook heel veel windenergie nodig. Op land, maar vooral ook op zee, ver op zee, waar het het hardste waait.

Aan woeste toekomstplannen geen gebrek, bleek eind april toen op de Internationale Architectuur Biënnale in Rotterdam een idee werd gelanceerd om vóór 2050 nog eens 25.000 windmolens neer te zetten met een vermogen van 10 MW (megawatt), bij elkaar dus 250 GW (gigawatt). Ruim twintig keer zoveel als wat er nu voor de Europese kusten staat.

En ook de politieke wil is er, werd afgelopen maandag duidelijk toen negen landen een samenwerkingsovereenkomst tekenden. Nederland, Duitsland, België, Luxemburg, Frankrijk, Denemarken, Ierland, Noorwegen en Zweden spraken af om „de planning en de realisatie” van windparken op zee te coördineren. Doel is de kosten zo snel mogelijk omlaag te brengen, want op dit moment moet er nog veel subsidie bij om de parken rendabel te maken.

Geen probleem, riep de industrie onmiddellijk. In een gezamenlijke brief schreven de grote energiebedrijven dat ze de kosten binnen tien jaar, in 2025, al zo ver verlaagd kunnen hebben dat ze geen subsidies meer nodig hebben. Schaalvergroting leidt automatisch tot lagere kosten. Maar, waarschuwden de ondernemers, dat is alleen mogelijk als er een stabiele Europese markt voor duurzame energie komt.

Doggersbank brengt redding

Netbeheerder Tennet bleek al in stilte achter de tekentafel te zijn gekropen en presenteerde vrijdag een uitgewerkte schets van een kunstmatig eiland op de Doggersbank dat als „spin” zou kunnen fungeren in een web van nog aan te leggen windparken in de Noordzee.

Tennets idee brengt de verschillende elementen bij elkaar: schaalvergroting, kostenverlaging én een geïntegreerde elektriciteitsmarkt.

De gedachte is om op Doggersbank, beroemd om zijn ondiepe, visrijke wateren en harde wind, een kunstmatig eiland aan te leggen van 6 vierkante kilometer. Rondom het eiland worden duizenden windturbines neergezet die met korte wisselstroomverbindingen – aanzienlijk goedkoper dan de langere en dikkere gelijkstroomverbindingen – op het eiland worden aangesloten.

Op het eiland zelf zetten transformatoren de wisselstroom om in gelijkstroom die door onderzeekabels wordt afgevoerd. Niet langer dus een aparte dure verbinding per windpark naar de kust, maar naar een eiland dat als een soort draaischijf fungeert naar verschillende landen. De markt bepaalt hoeveel naar welk land gaat: de meeste stroom naar waar er het meest voor wordt geboden.

Het eiland zou daarmee deel gaan uitmaken van de bestaande interconnectie tussen de verschillende landen en wordt daarom ook ‘windconnector’ genoemd. Zulke interconnectie bestaat al op de Noordzee met directe verbindingen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk en Nederland en Noorwegen. Daar komen verbindingen met Denemarken (2019) en tussen Duitsland en Noorwegen (2020) bij.

In de toekomst worden daar dus een soort productie-eilanden tussen gezet die ervoor zorgen dat er midden op zee betrekkelijk goedkope, duurzame energie kan worden ingevoerd. Eerst één eiland, daarna nog maximaal twee. Allemaal op Doggersbank, waar het Nederlandse Noordzeegebied grenst aan het Britse, Duitse, Deens en Noorse.

Op zee meer Europa

Vanzelf zal dat allemaal niet gaan, verwacht ook Tennet-topman Mel Kroon. Zo’n eiland en de windparken eromheen worden gezamenlijke inspanningen van verschillende landen en ondernemingen. Die moeten dus bereid zijn om de markt voorrang te geven boven nationale belangen. Kroon: „De Europese Noordzeelanden moeten afspreken dat de op zee opgewekte elektronen niet per se naar het eigen land getransporteerd worden”.

Wat in het huidige Europese politieke klimaat een lastig te nemen hobbel wordt. Zo ontbrak afgelopen maandag al de handtekening van het Verenigd Koninkrijk onder de politieke belofte om intensiever te gaan samenwerken. De verwachting is dat de Britten alsnog hun handtekening zetten zodra het Brexit-referendum voorbij is – en positief is uitgevallen voor het blijven-kamp. Een andere horde die genomen moet worden is het subsidiebeleid in de verschillende landen. Gelijktrekken van het subsidiebeleid staat wel op de agenda, maar voorlopig blijven alle landen van de EU bij hun eigen energiebeleid.

„Die subsidiekwestie los je niet van vandaag op morgen op”, waarschuwt Gerard van Bussel, hoogleraar windenergie aan de TU Delft. Hij voorspelt dat lokale belangen nog lang zullen prevaleren boven gezamenlijke belangen. „Daarom is het goed dat we het pas hebben over 2025 en verder”, reageert hij opgewekt aan de telefoon. „Nu staat het in ieder geval op de politieke agenda.”

Maar eerst Nederland

Nederland gaat eerst dichterbij de kust aan de slag. Begin augustus wordt duidelijk wie de eerste nieuwe windparken voor de Zeeuwse kust gaat aanleggen. Het totale project van vijf nieuwe windparken die onder het Energieakkoord worden aangelegd – bij elkaar 3500 MW – moet in 2023 klaar zijn. Daarna volgen mogelijk nog windparken verder op zee, IJmuiden Ver, Hollandse Kust Noord en Boven de Wadden geheten.

Het Energierapport dat begin dit jaar door minister Kamp (Economische Zaken, VVD) werd gepresenteerd, kijkt verder en spreekt van in totaal 34 GW die op termijn in het Nederlandse deel van de Noordzee zou kunnen worden opgesteld.

    • Renée Postma