Spookrijders in de rechtszaal

Je hebt rampen die zich zelden voordoen, maar toch preventieve aandacht vereisen. Omdat namelijk hun destructief potentieel enorm is. Industriële branden zijn een voorbeeld. Het juridisch equivalent daarvan zijn rechterlijke dwalingen. Ze zijn niet alleen een nachtmerrie voor de ten onrechte veroordeelde, maar veroorzaken ook een ander soort schade. Want hoe meer inspanning het kost om zo’n dwaling recht te zetten, hoe groter de groep burgers die haar vertrouwen verliest in Vrouwe Justitia.

Vreemd genoeg ontbreekt systematisch onderzoek naar rechterlijke dwalingen. In de Verenigde Staten bestaat wel het zogeheten Innocence Project. Dat verzamelt informatie over veroordeelden die bij nader DNA-onderzoek onschuldig bleken te zijn. Honderden gevallen zijn inmiddels beschreven en we weten dus nu waarom het in deze zaken tot foute veroordelingen kwam. Vaak waren onbetrouwbare ooggetuigen de oorzaak. Ook regelmatig voorkomend: spookrijdende deskundigen die met hun onjuiste, maar belastende rapporten een juridische miskraam veroorzaakten.

Het laatste grote Europese onderzoek naar rechterlijke dwalingen was van de hand van de Duitse rechtsgeleerde Karl Peters. Hij keek naar alle onterechte veroordelingen in zijn land tijdens de jaren 50 en 60 en schreef er een driedelig standaardwerk over (Fehlerquellen im Strafprozess). Het interessante is dat hij al veel eerder en in een andere rechtscultuur dezelfde conclusie trok als de Amerikanen: het zijn meestal onbetrouwbare getuigen en/of zichzelf overschattende professoren die de rechter ertoe brengen om een foute beslissing te nemen.

Spookrijdende deskundigen kennen we ook in eigen land. In de Puttense moordzaak was het bijvoorbeeld een hoogleraar gynaecologie en in het geval van Lucia de Berk was het een professor in de toxicologie. Steeds waren er contra-deskundigen voor nodig om de spookrijders tegen te spreken en een correctie van de dwalingen in gang te zetten. Kritische contra-deskundigen zijn dus belangrijk. Dat ligt ook voor de hand. Want rechters zelf zullen een spookrijder niet makkelijk herkennen. Het is vanwege hun gebrek aan, pakweg, toxicologische kennis dat rechters een professor in de toxicologie zullen inschakelen. Maar een spookrijder in deze discipline ontmasker je enkel als je zelf voldoende thuis bent in de materie. Zouden rechters dat zijn, dan hoefden ze om te beginnen al geen deskundige te raadplegen.

De advocaat-generaal Bleichrodt bij de Hoge Raad wijdde onlangs een beschouwing aan meningsverschillen tussen deskundigen en contra-deskundigen en welke conclusies rechters daar aan moeten verbinden (voor liefhebbers: ECLI:NL:PHR:2015:2769). Bleichrodt wil drempels opwerpen. Deskundigen moeten, vindt hij, bij voorkeur lid zijn van dezelfde club, namelijk het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) dat experts certificeert. Een meningsverschil tussen deskundigen heeft volgens Bleichrodt trouwens weinig om het lijf. Hij citeert instemmend de postmodernistische verzuchting van een collega-jurist dat “in de wereld van deskundigen er altijd wel één te vinden is die bereid is een afwijkend standpunt in te nemen.” Ah, zo.

Onder de deur van Bleichrodts conclusie kiert de opvatting dat vrijpostige geleerden voortdurend belletje aan het trekken zijn bij de Hoge Raad en dat ze daar eens mee moeten ophouden. Die stoute wetenschappertjes toch.

Bleichrodts advies, om deskundigen vooral dan pas serieus te nemen als zij lid zijn van dezelfde club, lijkt me ondertussen behoorlijk anti-empirisch. Terugkijkend op hoe rechterlijke dwalingen in ons land uiteindelijk werden gecorrigeerd, valt op dat vaak hoogst eigenwijze wetenschappers de rol van contra-deskundige speelden. Het gaat om het type dat de collegezaal en het laboratorium verkiest boven de rechtszaal. Niet het soort professor dat graag lid is van een club.

Er is nog een fundamenteler probleem met Bleichrodts analyse. Hoe selecteer je deskundigen en contra-deskundigen zó dat je een maximale kans hebt om dwalingen aan het licht te brengen en vervolgens te corrigeren? De parallel met het voorkomen van industriële branden is instructief. Bleichrodts oplossing bestaat eruit om twee brandmelders van dezelfde firma op te hangen. Dat is onverstandig. Want de brandmelders zullen ongeveer dezelfde sensoren hebben en daarom op dezelfde momenten afgaan. Of niet natuurlijk en daar zit nu juist het risico. Daarom wil je onafhankelijke peilingen hebben. Verschillende soorten melders dus. Als dan de ene melder niet loeit en de andere wel, is het zaak om toch uit te rukken, liefst met groot materieel (lees: met een derde superdeskundige). Dikke kans dat het om een vals alarm gaat: de oorspronkelijke deskundige had gelijk en de contra-deskundige is een excentrieke dissident. Maar eens in de zoveel tijd – ergens tussen de 0,25 en 0,5 procent van de gevallen als je met Duitse getallen rekent – zal die oorspronkelijke deskundige een spookrijder blijken te zijn. Dan komt het erop aan de uitslaande brand onder de voeten van Vrouwe Justitia te blussen voordat het grandioos uit de hand loopt.

    • een onzer redacteuren