Niet leven maar gamen

Eén op de tien puberjongens is verslaafd aan gamen. Hoe weet je dat, als ouder? „Als wij een dag weg waren, at hij niet.”

Fans bij een groot gametoernooi. De personen op de foto komen niet in dit verhaal voor. Robin van Lonkhuijsen/ANP

Hij komt nauwelijks zijn kamer uit. Ook tijdens voetbalwedstrijden is hij vaak afwezig. Koen (inmiddels 20, regio Nijmegen) is zo verslaafd aan gamen, dat hij zelfs voor zijn havo eindexamens niet leerde en dus zakte. Zijn ouders zijn gescheiden en zijn vader wist niet hoe erg de verslaving was geworden. Moeder Inger (55, radiodiagnostisch laborant): „Hij was als verrassing naar de examenuitreiking gekomen.”

Jongens als Koen zijn geen uitzondering.

Het aantal gameverslaafden in Nederland groeit, zo blijkt uit cijfers van Stichting Informatievoorziening Zorg. Jongens als Koen vinden ook steeds vaker hun weg naar de verslavingskliniek: van 242 in 2011 tot 544 in 2014. De cijfers van 2015 zijn nog niet bekend.

Wel bekend: het zijn vooral jongens. Bijna één op de tien jongens (tussen de 12-15 jaar) voldoet aan de criteria voor gameverslaving, zegt jeugdonderzoeker Regina van den Eijnden van de Universiteit Utrecht. Bij meisjes ligt dat percentage veel lager. Van den Eijnden onderzocht begin dit jaar het ‘gamegedrag’ van 2.000 jongeren. Een gameverslaafde gamet gemiddeld 29 uur per week en soms zelfs 60 uur. Opvallend: vooral ADHD’ers en jongeren zonder vrienden zijn gevoelig voor een gameverslaving.

Maar hoe herken je zo’n verslaving eigenlijk? En – belangrijker nog: hoe ga je er als ouder mee om?

Spijbelen, slecht eten, sociaal isolement, hygiënische verwaarlozing, en niet toekomen aan de dagelijkse taken, zijn volgens Van den Eijnden signalen dat een kind verslaafd is aan gamen. Van den Eijnden: „Het aantal speeluren is niet een graadmeter. Er zijn jongens die excessief gamen, soms wel tien uur per dag, maar thuis, op school, in hun omgeving geen problemen hebben. Dan spreek je niet van een gameverslaving.”

Baf! Net als een lijntje coke

Jan Willem Poot directeur van Yes We Can Clinics, jeugdkliniek voor complexe gedragsstoornissen, gedragsproblemen en verslavingen, ziet ze vermagerd binnenkomen. De „Messi’s van de gamewereld”. Wezenloos soms. Zo verslaafd, dat zodra ze stoppen met spelen ze ’s nachts zwetend wakker worden. Poot: „Het is net als met blowen of een andere drugsverslaving, het is echt heel moeilijk om te stoppen.” Dat komt door het „beloningssysteem” in een computerspel. „Net als bij een lijntje coke wordt dopamine aangemaakt in de hersenen. Baf! Het geeft je direct een goed gevoel.” En bij gamen is dat een continu terugkerend patroon.

Koen was ruim vijf jaar verslaafd. Hij gamede (gemiddeld) zes uur per dag. Hij speelde ’s ochtends, ’s middags en midden in de nacht. Favoriete spel: Leagues of legend; een online computerspelletje waarbij twee teams proberen elkaars basis te vernietigen. Koen: „Ik bleef meestal als één van de laatsten spelen, soms ging ik pas om vier uur ’s nachts naar bed.”

Gamen was voor Koen een ‘oplossing’, zegt hij. Zijn ouders waren pas gescheiden. Hij voelde zich eenzaam, niet gehoord, maar deelde die gevoelens niet met zijn moeder of vader. De lesuren op school: hij volgde ze allang niet meer. Koen: „Zodra ik de computer aanzette verdoofden mijn zorgen over mijn problemen.”

Punten scoren

Problemen waren er ook bij Daniel (23). Zijn vader dronk. Zijn vriendin was zwanger, een „ongelukje”. Maar oog voor haar had hij niet, want hij scoorde liever punten met gamen.

Acht tot zestien uur per dag speelde hij. Op zijn slaapkamer stond een computer, inclusief stuur en gaspedalen. Moeder Annet: „Als wij een dag weg waren, at hij niet, zo druk was hij met het gamen.” Het zorgde vaak voor ruzies thuis. Zijn schoolprestaties verslechterden.

Koen zakte door het gamen drie keer voor zijn eindexamens havo. Moeder Inger: „We wisten echt niet meer wat we moesten toen.” Koen: „Ik wilde stoppen, echt, maar ik kon het gewoon niet alleen.”

In Yes We Can Clinics worden jongens als Koen en Daniel „liefdevol” opgevangen, maar er zijn ook duidelijke regels. De mobiele telefoons worden ingenomen. De gameaccounts zijn verwijderd. En de eerste vijf weken van opname is het niet toegestaan contact te zoeken met vrienden of familie.

Jongeren leren, zegt Poot, tijdens de tien weken klinische behandeling omgaan met een leven zonder computerspelletjes, maar mét een computer. Poot: „Ze moeten wel een mail kunnen schrijven.”

Moeders voelen zich schuldig

Koen en Daniels moeders voelen zich schuldig over de gameverslaving van hun kind. Inger: „Ik was overdag veel weg, daardoor kon Koen veel spijbelen en gamen. Ik dacht ‘mijn kind vermaakt zich gewoon met die computer’.” Annet: „Soms denk ik: ik ben echt dom geweest.”

Maar hebben deze ouders gefaald? Jan Willem Poot vindt van niet. „Ouders voelen zich compleet machteloos en hebben vaak van alles geprobeerd.”

Ouders moeten duidelijke afspraken maken met de gamende kinderen. „Wees consequent, spreek een tijd af en houd je daaraan. Stuur ze naar buiten of naar een sportclub. Kijk zelf niet uren achtereen televisieseries. En: Out of the blue zeggen ‘Ik ben het zat’ en dan de stekker eruit trekken, heeft geen zin. Dat snapt het kind niet.”

In de kliniek bloeien de meeste kinderen met gameproblemen op, volgens de directeur van de jeugdkliniek. 75 procent heeft geen terugval. Voor Koen is het leven zonder gamen een enorme vooruitgang, zegt zijn moeder. Hij is assertiever. Zelfverzekerder. En op verjaardagen zoekt hij tegenwoordig contact met andere mensen. Koen: „Ik merkte achteraf pas dat ik geïsoleerd geleefd had. Het deed me ontzettend goed om met andere jongeren op te trekken.” De pc heeft hij in de ban gedaan, zegt hij, het gamen „voor altijd afgezworen”.

Ook Daniel is gestopt met gamen en is anderhalf jaar „clean”. Hij woont samen met zijn vriendin en dochter van twee. Drie keer per week gaat hij naar meetings van de anonieme verslaafden. Hij richtte een eigen bedrijf op en hij sport. „Hij heeft geleerd om met sport zijn hoofd leeg te maken”, zegt zijn moeder.

Wat Daniel tegenwoordig doet? Wereldkaarten maken op de pc, zegt zijn moeder. Hij is er uren mee bezig, zegt ze. Dan met aarzeling in haar stem: „Het is een beetje dubieus, maar hij wil hier echt zijn werk van maken.”

    • Martin Kuiper