Ik besloot alles te laten ontploffen

Theatermaker Yahya Gaier (42) verhuisde als kind naar Nederland en kreeg succes als acteur en mimespeler. Tot hij merkte dat hij werd beheerst door de taboes en schaamte van de gemeenschap waarin hij was opgegroeid. „Onze ziel is versnipperd.”

Foto Andreas Terlaak

Pak slaag

„Ik weigerde de hand van de hadji te kussen als hij mandarijnen uitdeelde aan de kinderen. Daar werd hij ziedend om, en hij ging verhaal halen bij mijn moeder. Omdat hij op pelgrimstocht naar Mekka was geweest, had hij aanzien in de buurt. Maar ik vond dat zijn hand stonk, en ik had een rebels karakter. Om een pak slag te ontlopen, rende ik op mijn kleine, snelle beentjes naar het dakterras van ons huis. Daar zat ik heel vaak, daar was ik veilig.”

Verloren paradijs

„We woonden in Oujda, een universiteitsstad in het noorden van Marokko, vlak bij de Algerijnse grens. Ik was de jongste van zeven kinderen. Als ik niet zat te zingen op het dakterras, speelde ik buiten met mijn vrienden, of ik zat achter de vogels aan. Soms pakte ik een kussen, gebruikte dat als paard en speelde een hele Arabische film na, onder luid applaus van mijn familie. Jaar in, jaar uit ging ik ’s zomers terug naar mijn oude wijk, om op te snuiven wat er niet meer was. Tot ik besloot dat ik afscheid moest nemen van het verloren paradijs.”

Sprinkhanen

„Op mijn twaalfde ben ik als het ware in mijn nekvel gepakt en drieduizend kilometer verderop weer neergekwakt. Ik verhuisde met mijn moeder en vier broers en zussen naar Leiden, waar mijn vader werkte als gastarbeider. Voor die tijd had ik hem maar een paar keer gezien. Het viel niet mee voor hem om ineens een huis vol kinderen te hebben. Ik zie hem nog de keuken binnenkomen met die enorme zakken aardappelen. ‘De sprinkhanen’ noemde hij ons, omdat we zoveel aten. Zelf had hij als kind in de jaren veertig de hongersnood in het Rifgebergte meegemaakt, hij heeft gras gegeten. Hij sprak daar niet over, uit schaamte. Er waren veel taboes in het conservatief-islamitische milieu waarin ik opgroeide. Zoals alles wat met seks en intimiteit te maken had. Ik had een vriendinnetje, maar wist bij god niet wat ik aan moest met een meisje. Bij mijn oudere broers kon ik ook niet terecht, die hadden genoeg aan zichzelf.”

Charlie Chaplin

„Ik was een opstandig jongetje, maar ook een dromer. School interesseerde me niet. In Marokko zou ik fruitverkoper geworden zijn. Dankzij de leerplichtwet in Nederland heb ik de havo afgemaakt, daarna ging ik naar de toneelschool. Toevallig had ik van een meisje gehoord dat dat bestond, een school waar je kon leren acteren. Ze had me in een theaterproject van het buurthuis gezien. ‘Je hebt talent’, zei ze. Ik kende het woord talent niet. Met de Nederlandse taal had ik nog veel moeite toen. Dat speelde mee in mijn keuze voor de mime-opleiding, maar belangrijker was dat ik Charlie Chaplin wilde worden. In Oujda zag ik hem altijd op de Algerijnse televisiezender, net als Louis de Funès en Jacques Tati. Dát wilde ik leren, en op een bepaalde manier voelde ik me thuis op de theaterschool. Maar tegelijk schaamde ik me omdat ik anders was. Na de lessen werd er samen gedoucht, ik deed stoer alsof ik het normaal vond, niemand merkte iets aan mij. Maar toen ik een keer alleen stond te douchen en er plotseling een meisje naast me stond dat vrolijk een gesprekje begon, moest ik mezelf met volle kracht in bedwang houden om niet heel hard weg te rennen. Als een soort monster probeerde mijn cultuur bezit van me te nemen.”

Storm

„Ik was een kameleon, ik paste me altijd aan. Dat kon ik heel goed. Telkens veranderde ik van kleur, in mijn relatie, in mijn werk, in vriendschappen, bij mijn familie. Ik wilde iedereen tevreden houden. Maar daarmee verloochende ik wie ik was: iemand met een enorme vrijheidsdrang, die zich juist niet wilde conformeren. Toen ik vader werd, drong langzaam tot me door hoezeer ik belast was met de erfenis van mijn cultuur en religie. Wilde ik mijn dochter opvoeden zoals mijn ouders mij hadden opgevoed, of wilde ik voor mijn kind een vrij bestaan? Dan moest ik eerst zelf vrij worden. De angsten waarmee ik was opgegroeid beheersten me nog altijd. Angst om in te gaan tegen de wil van God, tegen je familie, tegen wat de maatschappij van je verlangt. Ik had al vijftien jaar een relatie maar was mezelf daarin kwijtgeraakt. Ik had successen gehad als mimespeler en als acteur, maar ook daarin voegde ik me naar wat er van me verwacht werd. Als ze me vroegen om de mocro te spelen in een film, dan deed ik dat. Op een nacht – ik was alleen in huis, mijn vriendin en dochter waren er niet – stak er een storm op in mijn hoofd. Ik dacht dat ik gek werd, dat mijn harde schijf aan het doorbranden was. Waarom had ik in godsnaam al die jaren zo geleefd? Om vier uur stond ik op het punt om een vriend te bellen, maar ik moest het alleen oplossen, vond ik. Ik besloot om alles te laten ontploffen en te kijken wat er gebeurde. Behalve mijn relatie heb ik die nacht ook definitief het geloof opgegeven. Ik bande God uit mijn leven en sindsdien ben ik niet meer bang.”

Dubbelleven

„Langzaam vond ik mezelf terug. Ik ging weg bij het RO-theater, omdat ik graag zelf wilde regisseren. Twee jaar geleden heb ik samen met toneelschrijver Nisrine Mbarki theatergroep Landgenoten opgericht. Geen multicultitheater met muntthee en hapjes, maar confronterend toneel. In onze eerste voorstelling, Club Paradis, gaat een moeder op zoek naar de stoffelijke resten van haar zoon, die is omgekomen bij een zelfmoordaanslag op het Rijksmuseum. Toen de IS-aanslagen letterlijk en figuurlijk steeds dichterbij kwamen – eerst Parijs, daarna Brussel – inspireerde dat ons tot een voorstelling waarin we onze eigen culturele achtergrond kritisch onderzoeken. De moslimgemeenschap in Nederland houdt zichzelf na zestig jaar nog steeds gevangen in taboes, schaamte en schijnheiligheid. Zo kweek je mensen die vatbaar zijn voor extremisme. Ook bij mijn neefjes en nichtjes zie ik het weer, dat ze met hun ouders niets kunnen delen over hun intieme wereld, en een dubbelleven leiden, zoals bijna alle jongeren met een islamitische achtergrond. Als die cyclus niet doorbroken wordt, komt het nooit goed.”

Malcolm X

„De voorstelling gaat ook over mij, over mijn ontwikkeling. Het theater was mijn uitlaatklep, daarmee pleeg je als het ware aanslag na aanslag op je eigen persoonlijkheid. Je staat in je onderbroek. Ik had geen tijd om gefrustreerd te raken, maar stel dat mijn carrière niet gelukt was? Dan had ik misschien ook een baard laten staan en was ik stoere teksten over Malcolm X gaan roepen. We hebben niet geleerd om ons verlies te nemen. Het wordt verpakt als trots, maar het is een gevoel van minderwaardigheid. Jihadisten gebruiken de islam als harnas daartegen. Onze kern is niet heel, onze ziel is versnipperd. Ik voel me nu weer heel, maar daar was wel een explosie voor nodig.”

    • Brigit Kooijman