‘Ik ben zo nieuwsgierig als de pest’

Trump, Brexit, de vluchtelingencrisis. De wereld zit in een stroomversnelling, zegt journalist H.J.A. Hofland, alias S. Montag.

H.J.A. Hofland: „De menselijke verhoudingen zijn totaal veranderd.” Foto Marlijn Doomernik

‘Vér-vaarrrlijk!”, zegt Henk Hofland, zoals hij alleen het kan zeggen. Vervaarlijk, zo klonk de JSF die hij deze week een rondje boven Amsterdam zag draaien. Een nieuwe straaljager, een nieuw geluid. Mooi onderwerp voor de zaterdagse rubriek ‘Overpeinzingen’ die zijn alter ego S. Montag in deze krant schrijft. „Misschien put ik uit mijn geheugen over de gouden tijd van het vliegtuig”, zegt hij.

Dat betekent, weten Montag-fans, dat de luchtrace Londen-Melbourne dan bijvoorbeeld kan opduiken. De zevenjarige Hofland was erbij toen De Uiver van de KLM in november 1934 op Schiphol terugkeerde, hoewel hij niet veel zag van de landing, omdat iedereen op de tribune ging staan en hij zich plotseling op de bodem van „een kloof van winterjassen” bevond.

Of anders gaat het wel over Heinkels en Vliegende Forten, werktuigen van de bezetter en de bevrijder die al vaker door zijn columns vlogen, en die zowel zijn weerzin tegen de oorlog verbeelden als een levenslange fascinatie ermee.

De vorige keer dat hij over de JSF schreef, zag hij daarin het symbool van een op papier oppermachtig Westen, dat in praktijk echter machteloos is tegen „de godsdienstig geïnspireerde guerrilla zoals die in Afghanistan en Irak tot ontwikkeling is gekomen”. Er is, schreef hij, dringend behoefte aan een volgende Carl von Clausewitz die het militaire apparaat en het militaire denken nieuwe richting geeft.

Van het kleine naar het grote redeneren, de traploze verbinding van verleden en heden – ook dat is typisch Hofland.

Maar de 1846ste ‘Overpeinzing’ moet nog even wachten. Want H.J.A. Hofland (1927) is weliswaar tot nader order onsterfelijk, maar moest om medische redenen deze week even verstek laten gaan. „Zwak van poot”, is alles wat hij daarover wil zeggen.

Het gesprek moest gaan over de opkomst van de populisten, Europa dat in zijn voegen kraakt door de vluchtelingencrisis, Brexit en anderen die de uitgang zoeken. Het schelden en schimpen op internet. Is het gezichtsbedrog of bevindt de wereld zich in een stroomversnelling?

Zonder twijfel het laatste, zegt hij. „Het is de ergste crisis in de moderne geschiedenis.” Zijn redenering gaat ongeveer zo: de Koude Oorlog hield de ‘vrije wereld’ bijeen, maar oprukkende welvaart en entertainment vervingen politieke ideologieën. Het consumentisme – genietuh! – is nu de succesvolste ideologie. „Het is in Amerika begonnen en heeft zich over de hele wereld verbreid en alles aangevreten. De menselijke verhoudingen zijn totaal veranderd. Internet jaagt alles aan.”

Het Westen waande zich onkwetsbaar. Tot ‘11 september’, de kredietcrisis en nu de vluchtelingen. „Het heeft ons totaal verrast”, zegt hij. De politiek levert niet, de consument is bang en wantrouwend. „Een populistisch talent zou nu een historische carrière kunnen maken”, voorzag hij al een paar jaar geleden.

Wat ons bij Donald Trump brengt. Na nóg een kleine omweg, langs een voormalig gemeenteambtenaar, die na een leven van plichtsbetrachting alle Amsterdammers begon te verafschuwen. Hij werd een „totaal ontheemde burger”. „Hij hoort nergens meer bij, vertrouwt niemand, vindt iedereen leugenaars. Maar hij weet zeker dat hij gelijk heeft.”

Dat bracht Hofland op het idee van ‘het digitale lompenproletariaat’. Marx maakt onderscheid tussen de bourgeoisie en het proletariaat. Daaronder hangt nog een laag met iedereen die buiten de maatschappelijke orde valt: zwervers, dieven.

Die ambtenaar bevindt zich in het digitale equivalent daarvan, het reaguurdersuniversum met „oeverloos ontevredenen, de permanent boze mensen”. Voor hen zijn alle politici plucheklevers en zakkenvullers. „Gelukkig hebben ze hun laptop. Dat lucht op. Daarna gaan ze tevreden slapen.”

Zo is het met Trump ook, zegt hij. „Trump is iemand die zijn wijsheid van de straat heeft en dat in een soort systeempje heeft gewrongen dat hem veel bijval geeft. Het is een anti-systeem. Weg met alles. Wat er verder ook gebeurt, Trump heeft werkelijk een stempel gedrukt op deze campagne. Dat is een ontmaskering van de Amerikaanse kiezer. Wat Hillary gaat doen als ze president wordt? We weten het niet. Maar stel je voor dat Trump wint!

„De mensen die hem volgen, zijn woedend. Ze hebben er genoeg van. Je komt iemand tegen, je doet iets wat hem niet bevalt: grom, snauw en het volgende ogenblik lig je op de stoep. Dit is de eeuw van de opgeblazen ego’s. ‘Compromis’ is een woord dat per dag verder veroudert.”

Veilig eiland

De polarisatie heeft zelfs de Britten in zijn greep, al gelooft Hofland niet dat ze daadwerkelijk uit de Europese Unie zullen stappen. „Ik denk dat ze bijtijds hun hersens gebruiken en ervan af zullen zien.”

Het idee dat de Britten zich op hun eigen veilige eiland zouden kunnen terugtrekken is sowieso een illusie, denkt hij. „Ook zij worden overlopen door de moderne tijd en het consumentisme. Alle culturen zijn nu zo sterk met elkaar verweven. De Britten hebben geen poot om op te staan.”

Hij vindt het wel jammer dat het Verenigd Koninkrijk onherkenbaar is veranderd. „Ik heb op 11 november 1937 bij het monument voor de doden van de Eerste Wereldoorlog in Londen voor het eerst de Big Ben horen slaan. Ik luisterde naar Worker’s Playtime, een vast uurtje muziek op de BBC. Dat was mijn wereld, inclusief de gedeelde ervaring van de Tweede Wereldoorlog. Ik voelde me verwant, ook omdat een deel van mijn familie bij [het Brits-Nederlandse] Shell heeft gewerkt. Dat Engeland bestaat helemaal niet meer.”

Wat de Unie kwijtraakt zonder de Britten, hangt van de situatie af, zegt hij. Wellicht een kans om kordaat op te treden bij een nieuwe crisis van het type Oekraïne. Van de andere grote landen hoeven we het volgens hem niet te verwachten.

„Het probleem van Europa is dat het geen krachtige eigen stem heeft. Europa is niet naïef, het weet echt wel wat er aan de hand is. Maar er is geen mechanisme meer dat politieke denkbeelden in actie vertaalt.

„Er zijn talloze clubjes met een eigen wil – een klein willetje. Maar om wil in de politiek effectief te maken heb je een vormgever nodig. En er is geen vormgever in de Europese politiek. Het Frankrijk van Hollande verliest zijn kracht. Heel sneu. Angela Merkel heeft het tot de vluchtelingencrisis goed gedaan. Ze had de allure, maar dat is, vrees ik, voorbij. Verder zijn er vooral veel negativisten die hun kans proberen te grijpen. Italië bestaat niet meer. Griekenland.” Hij haalt zijn schouders op.

Griekenland – waarom houdt hij van het land waar hij elk jaar de zomer doorbrengt? „Hoezo?” Kleine spraakverwarring. Hoezo hoezo? „Oúzo”, grijnst hij.

Hofland komt er al dertig jaar. „Het begon op Cyprus, toen Kreta, Paros, Naxos, weer Paros. Het is er lekker weer, de mensen zijn hartelijk en het is er niet duur. Goed eten ook. Wat wil je nog meer?”

Maar dat prettige vakantieland ligt ook op een breuklijn tussen Europa en de rest van de wereld. Het kreeg de dubbele klap van een financiële crisis en de vluchtelingen. „Wat kun je aan je geografische ligging veranderen?”, zegt hij laconiek. „En wat aan je ingeboren slordigheid? Zie maar eens belastingen te innen in een rijk van duizend eilanden. Lukt niet. Bedrog is ook geografisch ingewerkt. Griekenland ligt verkeerd en ze doen iets verkeerd. Maar het is er wel ont-zet-tend gezellig.”

‘Thuis’

Natuurlijk spreken we over reizen. Hij zegt dat hij een zwerver is geweest, overal heeft gewoond totdat hij Elly, zijn tweede vrouw, tegenkwam. Maar het idee dat ‘thuis’ relatief is en weg willen, in een opwelling, dat zat er altijd al in, ziet hij nu heel scherp. „Het begon toen ik een jaar of acht was. We gingen naar Le Zoute, de Belgische badplaats. En opeens was ik weg. Waarheen? Naar een Duitse bunker uit de Eerste Wereldoorlog die nog op het strand stond aan de grens met Nederland en die wilde ik van dichtbij bekijken. Mijn ouders waren vreselijk ongerust.”

Hij noemt een grote fietstocht door Nederland in 1942. Zelfs de reis naar Indië tijdens zijn dienstplicht in 1949 – hij draaide speelfilms op het achterdek van het troepenschip Kota Inten – begon met het impulsief opsteken van zijn vinger toen een officier in de kazerne vroeg wie er een filmprojector kon bedienen.

Het maakte diepe indruk en zou leiden tot de hardste hoofdstukken in zijn latere bestseller Tegels lichten. Nederland was nog maar net bevrijd of „het begon aan de andere kant van de wereld zijn eigen oorlog, tegen de beste internationale adviezen”, heeft hij daarover geschreven. Aan boord van de Kota Inten zag hij de eerste gruwelfoto’s en vertelden soldaten wat ze hadden gezien en gedaan. Een oorlogsgeneratie, opgegroeid met geweld; het was voorstelbaar. Maar, zegt hij nu, „het bekeerde me definitief tot het verzet”.

Hij werd journalist, versloeg de opstand in Hongarije. Werkte een tijd voor de lokale krant in een Amerikaans provinciestadje, verhuisde naar New York, keerde er jaarlijks terug en had een vaste kamer in het Chelsea, „dat meer weg had van een kraakpand dan een hotel”. Grote reizen in Oost-Europa voor en na de val van de Muur. En kleine grote reizen. ‘Naar de zoutketen’, bijvoorbeeld, over een expeditie uit 1990. „Na een korte schermutseling wist ik ook nog een zitplaats bij het raam te veroveren”, schrijft hij. „en toen het voertuig zich schokkend in beweging zette, merkte ik hoe zich weer dat gevoel van me meester maakte dat de ware reiziger kenmerkt en dat ik in de nu volgende zin samenvat: Zolang we rijden, kan mij niets gebeuren.”

Deze reis ging van halte Concertgebouw naar het eindpunt, Zoutkeetsgracht. In lijn 3.

Mist hij het reizen? „Ik moet er niet meer aan denken.” Om er meteen aan toe te voegen dat hij „niet meer te houden” zou zijn als hij wat beter ter been was.

„Weet je wat het eigenaardige is van je leven? Je energie raakt op. Vroeger dacht ik: kom, ik ga weer eens een roman schrijven (hij schreef er vijf). En dan wist je het onderwerp, of niet. Maar altijd: tikken. Stukjes schrijven. Waarom? Voor de lol. Ik kan me goed voorstellen dat je vermoeid van je leven wordt. Jeezis, weer opstaan.”

Maar zover is het toch nog niet?

„Nog lang niet. Touch wood.”

‘Nieuwsgierigheid is een eigenschap van mensen die denken dat ze nog een ontelbaar aantal dagen voor de boeg hebben’, laat hij Pierre, hoofdpersoon van zijn roman Man van zijn eeuw (1993) zeggen. Is Hofland nog nieuwsgierig?

„Als de pest.”

Hoe komt dat?

„Níeuws-gíerig.” Hij maakt een graaigebaar. „Ja, alles willen weten.”

Niet meer door de trein naar Tallinn of Odessa te nemen.

„Ik kijk naar buiten. Denk: hoeveel fietsers zijn er in verhouding tot het aantal scooters? Dan ga ik tellen. Voyage autour de ma chambre.”

Zijn aangekondigde boek over het digitale lompenproletariaat komt er niet. Stukjes over dat onderwerp bundelen, vindt hij te makkelijk. „Het was als zelfstandig boek bedoeld, maar ik heb het niet afgeschreven. Ik verloor de greep en had er geen zin meer in. Niets aan te doen.”

In 2017, als u negentig wordt, verschijnt uw biografie, waaraan Vrij Nederland-redacteur Jeroen Vullings werkt.

„Jeroen komt bijna wekelijks langs. Ik heb het bijgehouden, de laatste keer was zijn honderdste bezoek. Een goeie kerel en uiterst nauwkeurig. Soms heeft hij een programma, een lijst vragen over lectuur en schrijvers, en soms praten we gewoon in het wilde weg. Dat is het mooist.”

Het geheugen is een mijnschacht in de tijd, heeft Hofland geschreven. „De stukjesschrijver arrangeert de onmetelijke voorraad feiten tot telkens nieuwe patronen.” Kletsen met een associërende Hofland laat je verbluft achter, had Vullings al gezegd. „Hij vertelt altijd wel iets wat hij nog nooit heeft verteld of geschreven.”

Muhammad Ali is dood. Wereldleiders die naar zijn begrafenis komen, noemt hij „stapelgek”. In dezelfde adem herinnert hij zich zijn eigen eerste (en laatste) bokswedstrijd, in 1959 of daaromtrent. ‘Marvellous’ Marvin Hayes tegen Charley ‘the Beast’ Mugabe. „Daar kon je zien wat mensen van boksen opsteken. Er waren duizend mensen, van wie zeker tien procent bij het naar buiten gaan met elkaar op de vuist ging. De politie moest ingrijpen.”

Man van zijn eeuw is zijn beste roman, zegt Hofland. Hij wijst op het omslag, een desolaat stadslandschap, geschilderd door Lucebert. Om meteen uit diens ‘Verdediging van de Vijftigers’ te citeren:

tegen uw muur zwellen wij met het rapalje tot een blaas/ een zware zak met lachen, krampen, gillen en geraas:/ uw hemel wordt met onze zwerende ervaring overladen.

En tot slot brengt hij het gesprek weer op zijn JSF-column, die hij straks gaat tikken. Als het lukt. Hij vertelt over de keer dat hij werd uitgenodigd om mee te vliegen in de gerestaureerde B-25 Mitchell, een tweemotorige Amerikaanse bommenwerper, die op Gilze-Rijen staat. Ze vlogen naar Rotterdam, Hofland in de glazen neus op de zitplaats van de bommenrichter. „De route van de Heinkels op 10 mei 1940”, zegt hij. „En helemaal beneden zat toen kleine Henkie, op 80 meter afstand van waar de eerste bom is gevallen. ‘Eruit’, riep mijn vader. We vluchtten ons huis uit, naar een loopgraaf, die door de mariniers was gegraven. Daar zagen we het bombardement zich voltrekken. Met de auto van de buren zijn we later de polder in gegaan. Daar heb ik toen heel leuk gespeeld.”

    • Hans Steketee