Het is een illusie dat je verstand altijd de baas is

Psychotherapeut Nelleke Nicolai schreef een boek over het reguleren van emoties. Wat iets anders is dan het beteugelen van het gevoel met het verstand. „Als je heel erg verdrietig bent, is het helemaal niet zo gek om gewoon een paar dagen heel erg verdrietig te zijn.”

Tekst Coen Verbraak Foto’s Andreas Terlaak

En klap!… Daar lag ze opeens op het fietspad; gezicht op het asfalt, gat in haar voorhoofd, overal schaafwonden. En met een kapotte neus. „Ik hoorde ’m letterlijk breken.” Aangereden door twee mountainbikers die niet aan de kant wilden. En ja, dan kun je net een boek over emotieregulatie hebben geschreven, psychotherapeut Nelleke Nicolai (69) was op dat moment even weerloos als ieder ander. „Ik voelde me alleen maar angstig en kwetsbaar. De heelheid van je lichaam is ineens doorbroken.”

Het was „vreemd maar ook heel leerzaam” om daarna opeens als patiënt in wachtkamers te zitten, aan de verkeerde kant van de spreekkamerdeur. „Ik realiseerde me: zo moeten veel mensen zich dagelijks voelen; uren zitten wachten, geen goede informatie krijgen. En ondertussen doodsbang zijn dat het niet meer goed zal komen.” Kwaad was ze geen moment, ook niet toen de mountainbikers ’s avonds opbelden of ze de schade aan hun fietsen wilde vergoeden. „Ik was alleen maar bezig met: komt dit ooit nog goed?”

Inmiddels is ze drie maanden verder, haar herstel vordert gestaag. Maar ze liep wel de presentatie van Emotieregulatie als basis van het menselijk bestaan mis. Het boek omvat kennis die ze in de veertig jaar van haar praktijk als psychotherapeut verzamelde. Vooral bedoeld voor jonge collega’s. „Wat betekent het eigenlijk als mensen emotioneel worden? Wat gebeurt er dan?” Toen zij begin jaren zeventig met haar vak begon werden emoties nog voornamelijk beschouwd als bijproduct. „In de psychotherapie gaat het altijd over emoties, maar er was geen onderliggende theorie over hoe je ermee om moet gaan als therapeut. Dat is pas veranderd door onderzoek van mensen als Nico Frijda.”

Het gevoelsleven van mensen wordt bepaald door drie factoren; affecten, emoties en gevoelens. „Affecten zijn puur fysieke reacties; als je bang bent, dan gaat je hart sneller kloppen. Je benen gaan trillen en je krijgt een droge mond. Daar kun je niet of nauwelijks iets tegen doen. Het zijn reacties zoals dieren die ook hebben. Logisch, want ze komen uit het reptielenbrein. Emoties zijn de reacties waaraan je woorden kunt geven, die je leert benoemen. Je kunt ze zelf versterken of verminderen. Een kind dat stelselmatig geen aandacht krijgt van zijn ouders leert om die behoefte, die emotie, te onderdrukken. Terwijl zijn lichaam wel alle tekenen van spanning vertoont. Kleine kinderen die verlaten worden door hun moeder geven uiterlijk geen kik, maar hun hartslag stijgt enorm.”

En dan zijn er nog gevoelens.

„Gevoelens hebben taal nodig. Je moet erover kunnen nadenken. Je kunt verlangen naar iets hebben, of heimwee, zonder dat je er lichamelijk iets bij waarneemt. Je kunt heel sentimenteel praten over iets wat je op televisie gezien hebt, terwijl je affectief niet geraakt wordt. Sentimentaliteit is: denken dat je iets voelt, zonder dat je het werkelijk voelt.”

Met welke van die drie – affecten, emoties en gevoelens – hebt u in de spreekkamer het meest te maken?

„Met alle drie. In de cognitieve gedragstherapie wordt patiënten met angst geleerd om hun gedachten over die angst te veranderen. Dan wordt bijvoorbeeld gezegd: ‘Hoe groot is nou de kans dat het vliegtuig waarin jij zit neerstort?’ Vanuit de gedachte dat de ratio die angst kan ontmantelen. Dat kan werken, maar het is slechts een deel van het verhaal. Er zijn ook affecten en emoties waarop gedachten geen invloed hebben. Simpelweg omdat ze uit een ander deel van het brein afkomstig zijn. De gevallen waarin cognitieve gedragstherapie niet werkt zie ik dagelijks in mijn praktijk.”

Wat fascineert u zo aan emoties?

„Ik heb mijn hele leven lang te horen gekregen: ‘Wat ben je toch emotioneel’. Dat zei mijn vader, dat zeiden ze op school. ‘Wat huil jij toch makkelijk.’ En dat was bepaald niet als compliment bedoeld. Ik heb me altijd afgevraagd: ‘Wat is daar dan zo raar aan?’ In de loop van mijn leven lukte het me om dat wat af te vlakken. En ook dat fascineerde me: waarom lukt het me kennelijk om op dat vlak in te binden?”

Hoeveel verschillende emoties zijn er?

„Aanvankelijk onderscheidde de emotiewetenschap vier basisemoties: blij, boos, bang en bedroefd. Later werd het scala met verbazing, minachting en walging uitgebreid naar zeven. Dat betreft emoties die universeel zijn en overal herkend worden. Onderzoeker Paul Ekman zag Papoea’s in Nieuw-Guinea op precies dezelfde manier kijken wanneer ze iets vies ruiken als een Amerikaan in New York. Laat in een zaal een foto van een lachende baby zien en iedereen begint spontaan te lachen. Dit in tegenstelling tot zo’n glimlach van Hillary Clinton. Ze lacht met haar mond, niet met haar ogen. Het is een sociale glimlach waar niemand blij van wordt. We herkennen het als een poging om vriendelijk over te komen, maar we weten direct dat zo iemand niet echt blij is.”

Met welke emotie wordt u als therapeut het vaakst geconfronteerd?

„Het meest met verdriet, vooral met niet-erkend verdriet. Stel dat je een relatie hebt met iemand die getrouwd is. Wanneer diegene doodgaat, kom jij totaal niet in de boeken voor. Terwijl jouw verdriet beslist niet minder groot hoeft te zijn dan dat van de wettige echtgenoot. Bij dat soort verdriet hebben mensen vaak zelf niet goed door waar de schoen wringt. Jarenlang voelen ze zich akelig en leeg, zonder te weten waar dat door komt. Niet kunnen uiten van zo’n emotie kan uiteindelijk leiden tot werkelijk niet meer kunnen voelen. Dat is dus zeer ernstig. Vaak is het aanhoren van het verdriet voor die mensen al heel wat. Daarmee wordt het verdriet erkend. En je hebt verdriet van mensen die iemand hebben verloren, die vinden dat ze er na twee jaar wel overheen moeten zijn. Terwijl ze dat dus helemaal niet zijn. Dat soort verdriet zie ik ook behoorlijk vaak.”

Is er een regel voor hoe lang rouw duurt?

„Volgens rouwonderzoek moet het na een paar jaar toch wel over zijn. Maar ik zie veel mensen bij wie het niet overgaat. Dat kun je pathologische rouw noemen, of een rouwprobleem.”

Kan rouw een leven lang duren?

„Zeker. Mensen die hun kind verliezen kunnen daar voorgoed door getekend zijn. Ik zie hier echtparen die elkaar de schuld blijven geven van de dood van hun kind. ”

Uw boek gaat over emotieregulatie. Is dat hetzelfde als het beteugelen van je gevoel met je verstand?

„Nee, dat is niet hetzelfde. Vaak gaat het heel onbewust. Je doet aan emotieregulatie zonder dat je het zelf weet. Een woede-uitbarsting is in je eentje al heel snel gekalmeerd. Omdat er dan geen publiek is.”

Komt het overeen met wat filosoof René Gude ‘humeurmanagement’ noemde?

„Dat gaat ook weer uit van de gedachte dat je het van bovenaf bestuurt. Ik bedoel iets anders: probeer eerst te luisteren naar wat je emoties en gedachten je te zeggen hebben voordat je ze wegduwt. Soms is het belangrijk om te weten waarom je je zo voelt. Je wordt bijvoorbeeld boos als je belangen niet behartigd zijn. Als dat inderdaad het geval is, is je woede best gerechtvaardigd. Woede is de motor van verandering. Dus je hoeft kwaadheid niet altijd meteen de kop in te drukken.”

U schrijft in uw boek ook uitvoerig over schaamte. „De meest voorkomende emotie maar de minst zichtbare.”

„Ik ken niemand die zich nooit schaamt. Schaamte zorgt ervoor dat je opvoedbaar bent, dat je deel kunt uitmaken van een gemeenschap. Een sociale gemeenschap functioneert door insluiten en uitsluiten. Als je bang bent om buiten de gemeenschap te vallen, dan bind je vanzelf in.”

Schaamte is een instrument om de sociale gemeenschap intact te houden?

„Zeker, en daarmee ook functioneel. Zolang die schaamte maar niet de overhand neemt. Wie zich voortdurend vernederd voelt gaat zich schamen voor wie hij is. Veel suïcidaliteit hangt samen met schaamte. Mensen gaan denken dat ze het niet waard zijn om te leven. Schaamte kan een mens van binnen finaal vernietigen, als een fragmentatiebom.”

Vertelt u in de therapie over uw eigen emoties, over uw eigen schaamte?

„Bij schaamte werkt dat niet. Iemand schaamt zich, en zit tegenover een therapeut die het zo op het oog aardig voor elkaar heeft; ze woont in een aardig huis, is hulpverlener, heeft ogenschijnlijk zelf niet erg geleden. Als ik dan over mijn eigen schaamte zou vertellen gaat zo iemand denken: ‘Dat zegt ze alleen maar om mij te helpen’. Dat verhoogt de schaamte juist. Bij verdriet kan het wel helpen wanneer ik over mijn eigen verdriet vertel. Verdriet maakt namelijk zo alleen. Ik heb zelf heel jong mijn moeder verloren. Als het contact met de patiënt open genoeg is, vertel ik daar weleens over. Met het idee: dan ben jij even niet alleen met je verdriet.”

Met als boodschap: deze vrouw is er ook doorheen gekomen?

„Maar dat weten ze toch helemaal niet? Soms kan verdriet je hele leven blijven.”

En troost dat inzicht dan?

„Het erkennen van de feiten zoals ze zijn kan heel troostend zijn. Beter dan: kop op, het gaat wel weer over.”

Hoe voorkom je als psychotherapeut dat je eigen emoties gaan meeresoneren in de behandeling?

„Die resoneren gewoon mee. Daar is niks aan te doen. Maar je gaat er professioneel mee om. Je denkt eerst: ‘Wat is dit een verdrietig verhaal’. Dat is de vorm van empathie waar films op inspelen. Vervolgens denk je: ‘Oh nee, dit is maar een film. Dit is niet echt’. Terwijl je je wel degelijk geraakt voelt. Zo maak je het cirkeltje steeds rond, met het besef: ‘Ik ben verdrietig, maar het hoort bij die ander en niet bij mij’. In mijn vak komt er nog iets anders bij: je vraagt je steeds af: ‘Wat betekent het dat ik dit nu voel?’. Er zijn mensen die in de spreekkamer heel opgewekt zitten te kwebbelen, terwijl jij je er verdrietig en zwaar bij voelt. Dan vraag je je af: ‘Waarom voel ik dit nu? Wat is er aan de hand?’. Die vrouw is bezig een gigantische façade op te werpen, om maar niet te hoeven voelen wat ik nu voel.”

U voelt iets waar zij nog niet aan toe is?

„Ik voel wat zij nog niet kan voelen. Het is een affect dat wel in haar lichaam zit, maar dat ze niet herkent.”

Met al dat voelen klinkt het alsof u zelf ook voortdurend in therapie bent.

„Nee. Het is juist een heel bewust proces, zoals een violist zijn viool gebruikt. Je voelt de snaren. Jij bent de klankkast.”

U schrijft dat emoties altijd deel uitmaken van een relatie met anderen.

„Voor het voelen van emoties heb je een relatie nodig, of die nou echt is of gefantaseerd. Je wordt niet out of the blue verdrietig. Als je woedend bent, heeft dat altijd met anderen te maken.”

Iemand als Robinson Crusoe kan op zijn onbewoonde eiland geen emoties voelen?

„Wel ten opzichte van de gefantaseerde anderen die hij eerder in zijn leven meemaakte. In zo’n situatie maak je vanzelf je eigen Vrijdag, een geïnternaliseerde ander. Je hebt altijd een kompaan nodig. Dat kun je zelfs doortrekken naar het geloof in een God. Een mens zoekt een trooster, een straffer, iemand die een land samenbindt.”

Verschillen emoties per cultuur?

„Niet in de basis, wel in hun expressie.”

We zijn geneigd te denken dat bijvoorbeeld jongens uit Marokko veel kortere lontjes hebben.

„Dat komt omdat ze denken dat ze niet op waarde worden geschat. Hun gevoel voor eigenwaarde correspondeert niet met hoe de buitenwereld hen ziet. Ze voelen zich hier vaak een vreemdeling. Dan vermengen schaamte en de behoefte aan waardering en bewondering zich tot woede.”

Onze tijd wordt gedomineerd door woede. Mensen protesteren met het schuim op hun mond tegen de komst van een asielzoekerscentrum.

„Dat is zo interessant; op geluksonderzoeken scoren we in Nederland opvallend hoog. En toch zie je dan die blinde woede. Iedereen heeft een aangeboren angst voor de ander. Wie bang is, vergroot de verschillen uit, en maakt van die enge ander een regelrechte vijand. Je moet erin opgevoed worden dat je die ander gaat herkennen als lijkend op jou. Iemand met dezelfde behoeften en angsten.”

Snapt u iets van die angst voor moslims?

„Ik snap die angst heel goed. Ik ben opgegroeid in Rotterdam-West. Vroeger was dat een gereformeerde wijk, nu zie je er alleen nog Arabische winkeltjes. Mijn zus is daar nog lang blijven wonen. Als zij en haar dochter op straat liepen – en ik heb dat zelf ook meermalen meegemaakt – werd er ‘hoer’ gesist.”

Zei u daar dan iets van?

„Nee. Ik deed net of ik het niet hoorde. Zo ben ik opgevoed: ‘Sta daar boven’. Maar ‘hoer’ is wel echt kwetsend.”

Dan dacht u: ‘Gevalletje schaamte vermengd met behoefte aan waardering’?

„Nee. Dan dacht ik: ‘Godverdomme lul, ik woonde hier eerder dan jij’.”

Hoe kun je omgaan met heftige emoties?

„De meeste mensen willen iets doen als ze emotioneel zijn. De boel verbouwen, iemand in elkaar slaan of zichzelf iets aandoen. Die mensen heb ik in behandeling. Je kunt beter een nachtje slapen en nadenken waarover je zo kwaad was. Maar als je heel erg verdrietig bent, is het helemaal niet zo gek om gewoon een paar dagen heel erg verdrietig te zijn. Niet zwelgen in zelfmedelijden, maar je overgeven aan je verdriet. Veel mensen durven dat niet. Toch kan dat heilzaam zijn. Er komt vanzelf weer een lichtpuntje.”

Verdrietig zijn is ook een actief proces?

„Oh zeker. Verwerken is werken. Niet met je bewuste geest, maar via je onderbewuste. Je bewuste geest is maar zo’n klein stukje van het brein. Veruit het meeste komt voort uit het impliciete geheugen. De dingen die je droomt, fantaseert, de herinneringen die opeens opkomen. De vrouw die binnenkomt met die onechte glimlach teert onbewust op haar impliciete geheugen dat ze mensen daarmee minder eng maakt. Zoals een poes gaat spinnen om mensen onschadelijk te maken. Heel veel van ons gedrag is bezwerend, om de buitenwereld gunstig te stemmen. Het is een illusie dat je verstand daar de baas over is. Als je dat eenmaal inziet, wordt het vanzelf wat makkelijker om met je emoties om te gaan.”