Opinie

    • Georgina Verbaan

Geflap

‘KLIP KLAP KLIP KLAP’ Mijn beste vriend helde wijdbeens voorover om zich op zijn nieuwe sandalen te verplaatsen. Hij keek wat geconstipeerd. ‘KLIP KLAP KLIP KLAP’ „Zijn die nieuw?”, vroeg ik. „Ja!”, zei hij hard en op een toon die mensen bezigen wanneer ze iets moeilijks doen maar veinzen dat het ze gemakkelijk afgaat. Bruine leren sandalen waren het, die erg plat klonken. „Lopen ze wel lekker?” „Ja hoor, héérlijk!” Precies zo had zijn moeder geklonken tijdens Kerst twee jaar geleden, toen ze crème brûlée had gemaakt, of dat in elk geval had geprobeerd, en wij allemaal peinzend naar een schaaltje met vocht keken dat ze voor ons had neergezet en zij haar eigen schaaltje met vocht en het vel dat erop dreef in één teug door een rietje naar binnen zoog. „Nou, ík vind het lekker!” had ze gedeclameerd. Niemand had het geloofd maar het was evengoed indrukwekkend geweest. Iets eerder, tijdens het voorgerecht, was er aan tafel enthousiast een elektrische eeltvijl uitgepakt. „Heerlijk m’n voetjes verzorgen!” Daarop had mijn beste vriend de parmezaan en de rasp die hij even daarvoor had gepakt heel ordelijk weer teruggelegd op tafel om bevangen door een catatone stupor naar zijn bord te kijken. Het was een van mijn fijnste Kerstavonden ooit. ‘KLIP KLAP KLIP KLAP’ Ik liep met mijn vriend naar de trein. We gingen naar het strand. Ik begreep niet meteen waarom hij me uitlachte toen ik het belang van een strandtent met een kwalitatief hoogstaande lunchkaart benadrukte, maar achteraf gezien had het er wellicht mee te maken dat ik tegelijkertijd met een zekere mate van drift en gele vingers een zak bolognese chips aan het leeg eten was. Over het strand van Zandvoort kan ik kort zijn; dat was koud. Omdat we op zoek gingen naar een tent met een kwalitatief goede kaart, maar geen idee hadden waar te zoeken, liepen we uiteindelijk bibberend en gehuld in handdoeken door het mulle zand van Zandvoort naar Bloemendaal. Hij hield de sandalen aan. In het zand was geen ‘KLIP KLAP’ te horen, maar leek hij het zand in gezogen te worden door het schoeisel. „Is het niet fijner om ze uit te doen?” „Nee hoor!” riep hij maniakaal. Ik begon te vermoeden dat hij erg veel geld aan de sandalen had uitgegeven en te laat was om ze terug te brengen. „Er komt geen eind aan de rij campinghuisjes, nergens een strandtent te bekennen.” „Strándhuisjes.” „Wat?” „Dat zijn strandhuisjes.” „Ik vind het campinghuisjes. Kijk maar, overal tv-schotels.” Na drie kwartier troffen we een acceptabele strandtent. Daar tikten we drie witbier en een portie friet met extra mayo weg. Kwalitatief eigenlijk dik in orde. Toen we onderkoeld dreigden te raken maakten we ons op voor de tocht terug naar Zandvoort, over de boulevard dit keer. Het geflap op de sandalen was ondraaglijk geworden. ‘KLIP KLAP KLIP KLAP’ „Wij moeten liften”, zei ik. „Liften?!”, mijn vriend keek bang en walgend. „Ja, dit kan niet langer.” Nadat ik de handdoeken van me af had gepeld stopte de derde auto. Duitse jongeren die van een camping kwamen. Ze spraken over festivals en ‘just chilling’ en wij deden zo nu en dan van ‘Yeah...’ Na vier minuten stapten we uit in Zandvoort en renden we gierend als bakvissen ‘KLIP KLAP KLIP’ naar de trein. Zoiets spannends hadden wij sukkels nog nooit gedaan.

    • Georgina Verbaan