Jazeker, er is een alternatief voor de Europese leegte

Intellectuele luiheid en gebrek aan ideologie bezorgen Europa een leegte die opgevuld wordt met beledigingen, bedreigingen en ‘wanhopig gekrijs’ (De Gruyter, NRC 28/5). Wat De Gruyter zegt is herkenbaar en ook al talloze keren aan bod gekomen. Is er een remedie? Degene die het waagt met een visie te komen, valt – als er al gehoor is – vooral hoon ten deel. Denk bijvoorbeeld aan reacties op het pleidooi voor verbondenheid dat vice-voorzitter Timmermans van de Europese Commissie schreef (Broederschap, 2015). Om verder te komen is het zaak eerst helder te hebben waar we ons bevinden. De column van De Gruyter deed me terugdenken aan een aantal bijdragen van NRC-columnist J.L. Heldring. Twaalf jaar geleden vroeg hij aandacht voor wat De Tocqueville (1805-1859) ‘de paradox van de democratie’ noemt. Die paradox bestaat eruit dat mensen in het drukkendste intellectuele conformisme vallen en uiteindelijk helemaal niet meer denken. Blijkbaar zijn we inmiddels bij dat punt aangekomen. We denken niet meer. We beledigen, bedreigen en ‘krijsen wanhopig’. Mopperen op die situatie of die nog eens breed uitmeten helpt niet. We dienen onder ogen te zien dat de crisis waarin we ons bevinden een risico is dat blijkbaar meekomt met onze way of life; de democratische samenleving. Toch kan het daar niet bij blijven. Juist op dat punt gaf Heldring al een interessante voorzet. Hij wees in de genoemde bijdrage op het belang dat (de zelf ongelovige) De Tocqueville hechtte aan religie voor een goed functionerende democratie. Omdat religie nadruk legt op onsterfelijkheid en eeuwigheid stelt het mensen in staat om boven directe aardse verlangens uit te stijgen, zo citeerde Heldring de Fransman. Hoe belangrijk Heldring dit punt vond, bleek wel uit het feit dat hij het aan de orde stelde bij zijn terugblik op vijftig jaar opiniëren (NRC 4/1/2010). Wie vanuit dit perspectief naar ons land kijkt, ziet een bedenkelijke ontwikkeling. Er is een jacht ontstaan waarvan de trofee bestaat uit alles wat met ons christelijke verleden te maken heeft. De Zondagswet, de wet op de smalende Godslastering, de weigerambtenaar en ‘bij de gratie Gods’; een voor een worden ze afgeschoten zonder dat er iets anders voor in de plaats komt. En ondertussen maar klagen over een leegte die zich opvult met allerlei wanstaltigheden. Als keerzijde van dezelfde medaille is er voor gelovigen werk aan de winkel. Het gevoel van opluchting dat ‘gelovige’ wetsartikelen worden afgeschaft, moet hen meer dan te denken geven. In plaats van het inzetten van geloof als druk- of ruilmiddel is het zaak te luisteren naar Dietrich Bonhoeffer (1906-1945). De verzettheoloog vond dat gelovigen zich in een mondige samenleving dienen op te stellen etsi deus non daretur (alsof God niet bestaat). Een voorbeeld van zo’n opstelling was te zien in Zwolle. Hoewel de ChristenUnie daar de grootste partij werd bij de laatst gehouden verkiezingen, stemde deze partij in met een verruiming van de winkeltijden op zondag. Of het helpt dat het belang van religie wordt onderkend en dat gelovigen zich zonder God opstellen, weet ik niet. In een situatie van ‘wanhopig gekrijs’ is het allicht een aantrekkelijk alternatief.

    • Matthijs Haak Predikant Kandelaarkerk Dordrecht