Opinie

    • Folkert Jensma

Drugscriminelen vervolgen, heeft dat zin?

Tot de ongemakkelijke waarheden in de rechtspleging behoort de constatering dat de politie zélf geen vertrouwen in het strafrecht heeft. Het duurt te lang, de eisen aan het bewijs zijn te hoog, de sancties te mild en het voorarrest wordt te snel opgeheven. Terwijl de politie dus wel de kwaliteit van de vervolging en dus de strafkans bepaalt. Dit zijn dus bakkers die niet in brood geloven.

Deze sluimerende vertrouwenscrisis dook onlangs weer op in Handelen naar waarheid, een eigen sterkte/zwakte analyse van de politie die uiterst kritisch uitpakte voor de recherche. Een praktisch gevolg is dat politie, samen met het lokale bestuur en het Openbaar Ministerie, alternatieve sancties buiten de rechter om gaan bedenken. Eind april vertelden een recherchechef en een officier in de Volkskrant dat ze ook in zwaardere zaken liever vijf keer een transactie voorstellen „dan dat we één verdachte door de hele strafrecht-keten trekken, waarvan niemand weet hoe dat afloopt”. Die route kiezen meer korpsen: liever inbeslagnames, transacties en kortere werkstraffen dan een gang naar de strafrechter.

Bij de professionals in de opsporing overheersen overal twijfel en scepsis aan de effectiviteit van het strafrecht, zo constateren de rapporteurs. Ook omdat steeds meer rechters het hennepbeleid zo inconsistent vinden, dat de bereidheid om gevangenisstraf op te leggen verder afneemt.

Rechercheurs kiezen er dan voor om snel hennephuizen of horecagelegenheden dicht te timmeren, websites plat te leggen en leveranciers beperkingen op te leggen. Meestal met bestuurlijke sancties. Of onder het dreigement van ‘door-rechercheren’ – ofwel, neem genoegen met deze sanctie, of we gaan écht investeren in een onderzoek. Waar de animo dus gering voor is.

De frustratie betreft ook het OM. Volgens het rapport komt het voor dat maar 15 procent van de zaken die de recherche ‘draait’ bij de rechter wordt voorgedragen. Regelmatig draagt het OM de politie op om verder te gaan met opsporen, terwijl al vast staat dat die zaak nooit zal worden vervolgd. De reden kan zijn dat het slachtoffer is beloofd dat de politie ‘actief’ blijft. Of dat het betreffende milieu de indruk moet houden dat de politie dit niet laat gaan.

Maar de behoefte om de strafrechtspraak te bedienen neemt dus sterk af. Vorig jaar werden in Zuid-Nederland in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit 400 aanhoudingen verricht – dat resulteerde in 2015 tot slechts 6 veroordelingen. Strafzaken kunnen makkelijk jaren duren, waardoor zaken binnen de magistratuur vaker worden overgedragen, kennis verdwijnt en tenslotte de sancties ‘verwateren’.

De politie (en het lokale bestuur) staan er hoofdschuddend naar te kijken. Het rapport stelt vast dat ‘velen in de opsporing‘ ervan overtuigd zijn dat de gemiddeld opgelegde straffen geen recht doen aan de ernst van de feiten en de toegebrachte schade. Dit kan wijzen ,,op een mogelijk existentiële crisis’’ in het klassieke strafrecht, zegt het rapport voorzichtig. De procedures zijn er te kwetsbaar; advocaten hebben te veel mogelijkheden om voor vertraging te zorgen en ‘punitief’ stelt het netto veel te weinig voor.

De handhavers in het veld zijn dus selectief gaan winkelen in het strafrecht. Ze gebruiken de strafrechtelijke dwangmiddelen, zoals doorzoekingen en inbeslagnames. Maar de rest van de strafrechtketen laten ze zitten: vervolging en berechting. Dit is ,,een expliciet tactisch concept’’, constateert het rapport.

Ik zou zeggen, het is ook misbruik van bevoegdheden, namelijk voor een doel waar ze niet voor zijn gegeven of bedoeld. Zeker als strafrechtelijke dwangmiddelen worden toegepast, wetende dat het nooit tot een proces zal komen.

Het laat ook zien dat het hennepbeleid de strafrechtketen zelf aanvreet – de rechter raakt losgezongen van de handhaving, waar bestuurders, OM’ers en politiemensen eigen keuzes maken, met het strafrecht als gereedschapskist. Het lijkt me een gevaarlijke ontwikkeling.

    • Folkert Jensma