Wilfried de Jong interviewt ‘Tattoo Bob’ over zijn gereedschap

‘Tattoo Bob’ maakt al sinds 1968 tatoeages met zijn ouderwetse ‘machientje’ met scherpe naald. Vroeger voor stoere zeemannen, nu voor hippe lui.

Wilfried de Jong (l) praat met 'Tattoo Bob' over zijn gereedschap. Foto Merlijn Doomernik

Vroeger trokken zeelui bij Bob Moelker (70) hun kleding uit voor een herinnering op de huid, nu komen vooral hippe jongelui in de zaak. ‘Tattoo Bob’ maakt al sinds 1968 tatoeages met zijn ouderwetse ‘machientje’ met scherpe naald.

Pistoolvormig tatoeëermachientje

In de blauwe handschoentjes van ‘Tattoo Bob’ ligt een traditioneel ‘tatoeëermachientje’, zoals hij het pistoolvormige ding liefkozend noemt. „Ik weet dondersgoed dat ik met een mensenhuid in de weer ben. Je zuigt de inkt op in een slangetje en dan schiet ik met die naald allemaal kleine bolletjes tussen de opperhuid en de lederhuid. Ik schraap de huid een beetje open. Vergelijk een tatoeage maar met een grote schaafwond.”

De zaak ligt in voormalig havengebied in Rotterdam, waar zeelui op zoek gingen naar drank, hoeren en een tatoeage. Hij ziet ze nog weinig. De haven heeft zich verplaatst naar ver buiten de stad. „Nu komen hippe klanten aan met plaatjes van internet. Prima. Maar soms denk ik in een vlaag van melancholie terug aan vroeger. Wat hier allemaal binnenkwam. Hoerenlopers, penoze. Het ging er ruw aan toe. Schepen met Amerikaanse mariniers lagen hier op stroom. Die mannen kwamen net terug uit Vietnam. Helemaal gek door de oorlog. Ze knokten zich naar binnen, wilden allemaal dezelfde tatoeage. Zo’n teken van hun marinierskorps en een bulldog met een halsband.”

In 1995 sprak NRC al eens met Bob Moelker. Het was de tijd waarin de navelpiercing net hip begon te worden, en Bob een wereldrecord piercen wilde zetten. ‘Piercen voor 25 gulden entreegeld (…) zolang de voorraad strekt en het vlees gewillig is’.

Lees hier het interview: ‘Een piercing staat aangekleed; De navel als topper’

Zelf gemaakt

Hij heeft zijn machientje zelf gemaakt; twee maanden van solderen, vijlen en slijpen. „Hier, twee spoeltjes van 12 volt met koperdraad erin, daar gaat de stroom doorheen. Je krijgt hetzelfde effect als bij een huisbel, alleen slaat er dan een klepeltje tegen een bel en bij dit ding gaat het puntje van de naald snel op en neer. Als in een naaimachine. Veertjes – een backspring en een frontspring – en elastiekjes zorgen voor tegendruk. Deze weegt zo’n vijf ons, ik vind dat zware roestvrijstaal lekker in de hand liggen, maar tegenwoordig werken we met een machientje van één ons.”

Mensen vragen om tatoeages op alle denkbare plekken. Vrouwen die een schip op hun borsten willen. Bob: „Dan zeg ik: Weet je het zeker? Over veertig jaar gaan die zeiltjes hangen.” Of de klanten willen bloemetjes of een naam op hun geslachtsdelen. „De structuur van een eikel is sponzig, het is net zo’n softballetje waarmee je op de kermis mag gooien.”

Lees ook het interview met fotograaf Eddy van Wessel vorige maand: ‘Zij schieten met kogels, ik met film’.

Bob ziet de Noorse man weer voor zich, veertig jaar terug; een zeebonk die de naam van zijn ex wilde laten verwijderen. „Ik werkte toen nog met zilvernitraat. Ik injecteerde dat spul in zijn eikel. Nitraat roept een ontstekingsreactie op. De huid wordt zwart en zo’n naam valt er dan gewoon af. Een halfjaar later stapt die Noor weer binnen. Hij laat zijn pik zien en zegt: ‘Wat heb je mij nou geflikt?’ Heel zijn eikel kwijt. Serieus. Ja, dat kan je niet repareren. Waarschijnlijk heeft hij na het verwijderen gezopen en bij de hoeren liggen neuken. En ik had nog zo gezegd: steriel blijven, geen excessen.”

Toen aids kwam, moest het roer om

Vroeger werkte Tattoo Bob nog zonder handschoenen en vanuit één grote pot verf. „Je werkte zelfs met dezelfde naalden. Toen aids kwam, zei ik tegen de GGD: het roer moet om. We zijn steriel gaan werken. Voor iedere klant nieuwe, verzegelde verf. De machientjes haal ik steeds uit elkaar. Alles gaat een autoclaaf in, een uur steriliseren bij 300 graden.”

Bob beseft dat hij intiem werk heeft. Hij zit letterlijk dicht op de huid. „Ik werk met mensen, dat is me heel dierbaar. Je zit toch aan hun bloed, hè? Ik hou van lekker donker bloed. Karmijnrood. Je hebt ook mensen die bloedverdunners slikken, dan is het lichter van kleur. Beaujolais van een goed huis, zeg maar. Ik ben meer van de merlot of de cabernet sauvignon. Paars, pimpernel. Maar nou hou ik erover op, anders denken ze dat ik een Dracula-afwijking heb.”

    • Wilfried de Jong