Volgens de modellen wordt het een top-EK

Opzet Toernooi Over de uitbreiding van het toernooi tot 24 deelnemers is goed nagedacht. Meer landen betekent vooral meer betrokkenheid.

De fanzone in Lille is klaar om de supporters te ontvangen. Foto Philippe Huguen/AFP

Het EK voetbal telt voor het eerst 24 landen en Nederland, laat het nog één keer gemeld zijn, is er niet bij. En dat terwijl de uitbreiding van zestien naar 24 een sterk Nederlandse signatuur draagt. „Hoe vaak we niet zeiden tegen kleine landjes: kunnen jullie ook eens meedoen”, zegt Pieter Nieuwenhuis van adviesbureau Hypercube.

Het was in 2007 dat zijn kantoor, in opdracht van de Europese voetbalbond UEFA, de wenselijkheid van een toernooiuitbreiding onderzocht. In 2008 besloot het UEFA-bestuur de uitbreiding door te zetten. Vandaag begint dit EK nieuwe stijl, met de openingswedstrijd Frankrijk-Roemenië.

Hypercube onderzocht verschillende toernooiopzetten: ook met twintig landen in een systeem van vier poules van vijf, bekend van het WK-rugby. „Daarbij is het grote nadeel dat er steeds een land niet speelt. Dat kan in rugby, wegens de toch al grote intervallen tussen wedstrijden. Bij voetbal is dat niet gewenst.”

Ten koste van de kwaliteit?

Het werden dus zes poules van vier en dus 24 landen. Steeds maar groter en groter, moet dat? De Duitse bondscoach Joachim Löw uitte in 2014 zijn zorgen over „de sportieve waarde van wedstrijden op zich en het toernooi als geheel”. Was zestien – zoals het vanaf het EK 1996 was – niet perfect, zoals 32 het juiste aantal voor het WK lijkt? Gaat dit niet ten koste van de kwaliteit? De exclusiviteit?

„Weet u, misschien is de eredivisie met zestien clubs kwalitatief beter dan met achttien, maar dat doen we toch ook niet?”, zegt KNVB-voorzitter en UEFA-bestuurslid Michael van Praag. „Er zijn gewoon meer steden die toegang tot voetbal verdienen, zo moet je het ook zien met landen. En er zijn ook landen bijgekomen.”

Hij is helemaal voor het 24-landentoernooi, al was hij nog geen UEFA-bestuurder tijdens de besluitvorming in 2008. „Voetbal is niet alleen voor de happy few. Geweldig toch wat er in IJsland gebeurt? Hoeveel Nederlanders dachten niet dat wij ons makkelijk gingen plaatsen in een poule met IJsland, Tsjechië en Turkije? Zo slecht zijn die landen dus niet.”

Argumenten uit handen geslagen

En zo zijn veel argumenten van kwaliteitserosie tegenstanders uit handen geslagen door het falen van Oranje zich bij de happy many te voegen. Wie kan volhouden dat bepaalde teams niets op het EK te zoeken hebben?

Blijft over de vraag of het nog leuk is, attractief dan, als de grote landen bijna gegarandeerd doorgaan naar de volgende ronde. Ook de vier beste nummers drie gaan door: één schamel punt uit drie groepswedstrijden kan genoeg zijn om door te gaan. Spannend lijkt het pas in de knockoutfase te worden. Dankzij de toevoeging van de achtste finales zijn er nu liefst vijftien knock-outwedstrijden, tegenover zeven in de oude situatie.

„Een speler moet zijn maag voelen en met zijn hoofd omhoog het veld betreden.”

Didier Deschamps, bondscoach Frankrijk

Nieuwenhuis noemt drie factoren van belang voor de amusementswaarde van een toernooi: het pure sportieve niveau van wedstrijden, de competitieve balans – ofwel de mate van onvoorspelbaarheid van uitslagen – en de betekenis van een wedstrijd: doet de uitslag er toe of gaat het voor beide teams nergens meer om? „Het eerste aspect, het gemiddelde sportieve niveau, daalt onherroepelijk als je kleine landen toelaat”, zegt Nieuwenhuis. „Tegelijkertijd is er een grote middenmoot waarbij het krachtsverschil steeds meer afneemt.” In de FIFA-ranking van landenteams staan 24 Europese landen bij de eerste 35.

Maar toeschouwers worden vooral getriggerd door de laatste twee factoren, zegt Nieuwenhuis. Wegens het afnemende verschil in krachtsverhoudingen tussen teams in de middenmoot is de onvoorspelbaarheid van wedstrijden „lang zo slecht niet”. Het zijn precies die Europees middenmoters die een spektakel in de groepsfase kunnen bewerkstelligen, is het idee. Want tot de laatste speelronde houdt iedereen kans.

Dat is allemaal goed voor het voetbal, vindt Nieuwenhuis. Althans voor „de leading positie van het voetbal in de markt. En de markt is voor topvoetbal bijna onverzadigbaar.” Volgens Nieuwenhuis vertegenwoordigen nieuwe ‘midsize’ landen met gemiddeld zo’n tien miljoen inwoners een enorme bron van inkomsten. „Acht extra deelnemers betekent extra betrokkenheid van in potentie tachtig miljoen Europeanen.” En ook dat is in het belang van voetbal, zegt hij. „Die mensen gaan anders basketbal kijken, of ijshockey. Nu kijken ze voetbal. Dat is ook het belang van de UEFA: voetbal moet altijd top of mind zijn als het om sport gaat.”

Vrees voor de exclusiviteit

Toch was bij het UEFA-bestuur aanvankelijk scepsis. Nieuwenhuis: „Het adagium ‘less is more’, vrees voor de exclusiviteit van het product.” Engeland en Duitsland lagen tot het einde dwars. Michel Platini, van 2007 tot dit jaar UEFA-voorzitter, omarmde het plan alsof het uit eigen koker kwam, maar het waren logischerwijs de kleine landen als Ierland en Schotland – maar ook Nederland – die de drijvende kracht waren achter de uitbreiding.

„Wales is niet Bale. We vallen aan, verdedigen en bij balverlies knokken we terug, allemaal.”

Gareth Bale, sterspeler Wales

Financieel wordt het voor de UEFA hoe dan ook een succes. Want het EK stond financieel stil. Na een explosieve groei aan inkomsten na het EK 2000 in Nederland en België (van 230 miljoen naar 1,3 miljard euro bij het EK 2008) trad stagnatie op. Het EK 2012 in Polen en Oekraïne leverde net als dat van 2008 iets boven 1,3 miljard op. Het EK 2016 moet nu bijna 2 miljard op leveren.

De modellen wijzen uit dat dit een toptoernooi wordt. „Maar ja, je kan duizend keer simulaties draaien en berekeningen loslaten: er wordt maar één keer gevoetbald”, zegt Nieuwenhuis. „Maar de kans op een doodsaai toernooi is heel klein.”

    • Bart Hinke