Uit de schaduw van hun broers

Vincent van Gogh had ook drie zussen, van wie we tot voor kort slechts wisten dat hij een hekel aan ze had.

Theo (1857-1891)

Geen schilder ter wereld heeft zich in brieven zo laten kennen als Vincent van Gogh. Zijn jongere, zorgzame broer Theo is dankzij die correspondentie eveneens menigeen vertrouwd. Maar wie waren Anna, Lies en Wil van Gogh, hun zussen? Hoe zag hun leven er in de tweede helft van de 19de eeuw uit en in welke verhouding stonden ze tot hun broers?

Vincent verafschuwde zijn drie jongere zussen, schreef hij in een brief aan Theo in 1885. Dat citaat heeft kunsthistoricus Willem-Jan Verlinden meteen opgenomen in de inleiding van De zussen Van Gogh. Dat belooft weinig goeds, maar vreemd is het wel, zoals zoveel zonderling was aan Vincent. Want de drie meisjes lopen karakterologisch nogal uiteen en met zijn jongste zus Wil kon Vincent juist goed opschieten, zo blijkt uit de brieven waaruit Verlinden citeert. Ze wordt een favoriet model en tekent vaak.

De harmonieuze jeugd van de zes kinderen van predikant Dorus van Gogh en zijn vrouw Anna Carbentus belooft een zonnige toekomst. Een fraaie pastorie in Zundert, een tuin en bossen, waar ze zich ‘in Gods schepping’ kunnen uitleven. Hun liefdevolle ouders, bijgestaan door gouvernantes en dienstmeisjes, doen wat in hun vermogen ligt om hun drie jongens en drie meisjes een goede opleiding te geven. Vader moet protestantse zielen vergaren in het katholieke Brabant, moeder bestiert het huishouden en tuiniert. Vaak zal het kroost weer op het veilige nest neerstrijken, als ze ziek zijn, falen in hun opleiding of werkloos raken. Niets wijst vooruit op de drama’s die komen gaan.

Moederkloek

Anna is de ‘moederkloek’, Lies is wispelturig en eigenzinnig, en Wil, de jongste, is de gevoeligste van het stel. Van hun opleidingen – tot verpleegster, lerares of gouvernante (meer zat er voor meisjes niet in) – komt weinig terecht, en daar maken hun ouders zich lange tijd zorgen over. Anna vertrekt na haar kostschooljaren in het kielzog van Vincent naar Londen, om werk te vinden. Ze neemt haar 13-jarige zus Wil daar onder haar hoede. In een dorpje in Hertfordshire wordt ze hulponderwijzeres, haar jongste zusje wordt op dezelfde school toegelaten. Lies zit intussen op de Franse School voor Jonge Juffrouwen in Leeuwarden, vanwaar ze tot haar verdriet alleen in het Frans mag corresponderen. Ook zij gaat even het onderwijs in. ‘Even’, want bij de meisjes is alles nogal van korte duur, ook Anna’s Engelse avontuur.

In brieven houden de broers en zussen elkaar op de hoogte van hun dagelijkse beslommeringen, zorgen, gezondheid, plannen en hun heimwee naar thuis. Wie niet snel terugschrijft, krijgt verwijten. Theo, later neergestreken in de Parijse kunsthandel, is hun emotionele en financiële baken. Lies schrijft hem vanuit Londen over Vincent, die dan nog dominee wil worden: ‘Hij wordt suf van vroomheid’, nogal eerlijk voor een domineesdochter. Later beklaagt ze zich over zijn ‘zonderlingheid’. Vader ‘moest hem maar in het gesticht doen.’

Anna, de oudste, trouwt in 1878 op stand, en daar zijn haar ouders maar al te blij om. Die is onderdak! Ze zou vier kinderen krijgen. Lies, die het huishouden verafschuwt, strijkt als gouvernante neer bij de echtgenote van kantonrechter Jean Philippe du Quesne in Soesterberg. Met de heer des huizes kan ze het goed vinden. Zó goed dat Lies zwanger raakt. Daar mag het religieuze wingewest van haar vader geen lucht van krijgen. Het kind dat ze in het geheim in Normandië baart en daar onderbrengt in een gezin, zal ze nooit meer terugzien. Haar minnaar zal haar man worden.

Na de dood van predikant Dorus in 1885 – ‘’t is beter te sterven dan te leven’, zei Vincent bij diens wake – willen zijn zussen even helemaal niets meer met hun oudste, egocentrische en ruzie zoekende broer te maken hebben. Vincent, een splijtzwam in het gezin, vertrekt uit Nuenen, en zou zijn moeder en zussen nooit meer terugzien. ‘Ook al bewonder ik zijn kunst, ik veracht zijn persoon’, schrijft Lies in die tijd. Theo adoreert ze: ‘Geen mijner twee zusters of één mijner andere broeders kon ooit met hem vergeleken worden.’

Toch corresponderen ze later weer met elkaar. Wil laat Vincent weten dat ze wil leren schrijven. ‘Neen mijn beste zusje’, antwoordt Vincent, ‘leer dansen of word verliefd op een of meer notarisklerken, officiers, enfin hetgeen onder uw bereik is, doe liever, veel liever een aantal dwaasheden dan Hollandse studie, ’t dient glad nergens toe dan om iemand suf te maken en daar wil ik dus niets van horen.’ Het leven van Wil, eerst godsdienstlerares, later voorvechtster binnen de vrouwenbeweging, kent een droevig verloop. Ze kreeg last van ‘gekrioel in haar hoofd’, waar een grootvader ook al aan leed. Meer dan de helft van haar leven bracht ze door in een inrichting. ‘Je sleept mij nog naar de eeuwige verdoemenis’, zei ze nogal vaak.

Postuum succes

Kijk hiernaast even naar Vincents portret van zijn moeder. Ze overleefde Vincent, Theo en haar jongste, Cor, die in het Vreemdelingenlegioen in Zuid-Afrika stierf. Ze ‘verloor’ Wil aan krankzinnigheid en zelfs haar schoonzoon, de ‘kantonrechter’ van Lies, wordt wegens psychische problemen wilsonbekwaam. Even was moeder Van Gogh gelukkig getuige van Vincents postume succes, waar Theo’s weduwe Jo Bongers zoveel aan heeft bijgedragen.

Ondanks de honderden brieven en eerdere publicaties, die Verlinden erop nasloeg, missen de zussen scherpe contouren – hun brieven aan Vincent zijn grotendeels verloren gegaan. Behalve Lies, die uitvoerig correspondeerde met een hartsvriendin en later een en ander publiceerde, gaven ze zich – ook vanwege de mores – niet echt bloot. Door een soms iets te brede historische en sociale context – van kerkarchitectuur tot vervoersproblematiek – schetst Verlinden een panoramisch tijdsbeeld, maar bovenal een breed uitwaaierende familiegeschiedenis, inclusief voorouders en verwanten. En daarin maakt hij Anna, Lies en Wil hoe dan ook zichtbaarder dan ze ooit mochten of konden zijn.

    • Marianne Vermeijden