Twee kameropera’s. De één werkt, de ander niet

The Corridor en The Cure brachten beide recente kameropera’s van Harrison Birtwistle (1934). Groot verschil: de één werkt, de ander niet.

The Corridor en The Cure hebben veel gemeen: beide zijn recente kameropera’s van Harrison Birtwistle (1934), voor dezelfde twee topzangers, voor een orkest in dezelfde bezetting van zes instrumenten, op libretto’s van David Harsent, geënt op de Griekse mythologie. Groot verschil: de één werkt, de ander niet.

The Corridor (eerder te zien in Holland Festival 2010) zoomt in op het moment dat Orfeus omkijkt naar Eurydice, op de terugweg uit de Hades, en haar daardoor voor altijd verliest. Dat gebeurt al na vijf minuten. Lekker begin: voortgestuwd door de zinnelijke, suggestieve muziek van Birtwistle ploetert het stel door het kale decor, Orfeus stapt het licht in, Eurydice is vijf passen verwijdert van verlossing. Maar hij draait zich om. Omdat, zingt zij als een dolkstoot, dit altijd al meer zijn moment was dan het hare.

Onderwereld

Die beschuldiging zet de mythe op zijn kop. Na dat fatale ogenblik implodeert de tijd: Eurydice valt terug door de donkere gang, in slowmotion, en reflecteert in een losgezongen Nu op de implicaties van die cruciale tel en wat eraan voorafging. Op Orfeus’ volmaakte liefde valt een cynisch licht. De sterke scenografie plaatst hem uiterst rechts, in een grasgroene wereld, samen met zijn orfische harp.

De vijf overige, grijs getinte instrumentalisten begeleiden Eurydice op haar dans terug naar de onderwereld – dit is bovenal haar drama. De naschokken en verkleuringen van de omkering dragen de voorstelling over de nogal uitleggerige gesproken monologen heen naar een prachtig verstild slot.

Elixer

Ook The Cure heeft een intrigerend onderwerp. Jason vraagt zijn vrouw Medea een elixir te brouwen dat zijn stokoude vader Aeson diens jeugd zal teruggeven. Maar dat elixer werkt zo goed dat de mannen uiteindelijk niet meer te onderscheiden zijn. En Medea, half waanzinnig, begeert beiden.

Waar The Corridor één moment uitpluist en oplaadt met betekenis, harkt The Cure van alles op een hoop. De verbositeit van Harsents libretto bereikt hier nieuwe hoogten. Zijn tekst vol schitterende mineralen- en kruidennamen heeft een dramatische waarde van plusminus nul. Eindeloos drentelen Medea en Jason door hun cirkeltje, in een halfslachtige aanloop naar het plot. De beoogde karakterverdieping blijft schetsmatig. Halverwege snak je zelf naar een elixer.

De bij vlagen wonderschone muziek, de magie, de rituele prachtchoreografie van Medea en de wirwar van motieven en verwijzingen willen maar niet binden. Sopraan Elizabeth Atherton zingt niettemin de sterren van de hemel, net als tenor Mark Padmore, die als verwelkte, schor fluisterende Aeson zijn hoofd geweldig boven een muurtje uitsteekt.

    • Joep Stapel