Opperleermeester van de nazi’s

Tijdens het proces van de nazi’s in Neurenberg in 1946 kwam het dagboek aan het licht van de ‘kerkvader van de NSDAP’. Het bleef tot 2013 verborgen. Waar was het al die tijd en wie was Alfred Rosenberg ook alweer?

Bijna net zo populair als Mein Kampf – en waarschijnlijk net zo slecht gelezen: dat was het boek Der Mythus des zwanzigsten Jahrhunderts van Alfred Rosenberg. In het in 1930 verschenen werk, waarvan in het Derde Rijk ruim anderhalf miljoen exemplaren over de toonbank gingen, probeerde Rosenberg het bestaan aan te tonen van een Nordische rassenziel met een allesbepalende wil. Met die wil streed de Nordische, Germaanse mens tegen het jodendom.

Hitler was zo onder de indruk van deze pseudo-intellectuele krachtpatserij dat hij Rosenberg benoemde tot Beauftragten des Führers für die Überwachung der gesamten geistigen und weltanschaulichen Schulung und Erziehung der NSDAP, een soort opperleermeester van de beweging dus.

Rosenberg werd in 1946 in Neurenberg ter dood veroordeeld vanwege onder meer zijn aandeel aan de oorlogsmisdaden die in Oost-Europa waren gepleegd. Tijdens dit proces kwam het dagboek dat hij van 1933 tot 1944 had bijgehouden in het bezit van Robert Kempner, een uit Duitsland gevluchte jood die hoorde bij het Amerikaanse team van aanklagers. Kempner nam het na het proces mee naar de Verenigde Staten, waar het tot 2013 duurde voor het weer in de openbaarheid kwam.

Afkeer

In Dagboek van de duivel van FBI-onderzoeker Robert Wittman en Pulitzer Prize-winnaar David Kinney wordt de naoorlogse zoektocht naar dit journaal uit de doeken gedaan en het leven van Rosenberg geschetst. Alfred Rosenberg werd geboren in Estland, toen onderdeel van het Russische keizerrijk, in een Baltisch-Duitse familie. Hij beleefde de Russische Revolutie als student in Moskou. Hij hield aan deze ervaring een diepe afkeer jegens het communisme over.

Na de Eerste Wereldoorlog vertrok hij naar Duitsland en werd daar een van de eerste leden van de net opgerichte NSDAP. Rosenberg profileerde zich als een denker met een scherpe pen. Hitler noemde hem ‘de kerkvader van het nationaal-socialisme’. Dat hij juist die term gebruikte was niet zonder ironie, want Rosenberg had behalve aan joden een enorme hekel aan het christelijk geloof. In de Völkischer Beobachter, de nazi-partijkrant die hij leidde, voer hij geregeld uit tegen de kerken.

Toen de oorlog was uitgebroken, kwam Rosenberg aan het hoofd te staan van een afdeling die namens het Derde Rijk kunst roofde in heel Europa. Deze Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg nam ook op grote schaal joodse archieven en bibliotheken in beslag, die werden ondergebracht in het Institut zur Erforschung der Judenfrage.

En na de inval in de Sovjet-Unie in 1941 werd Rosenberg Rijksminister voor de bezette Oostgebieden. Daar hoopte hij zijn droom van een Groot-Duits Rijk te kunnen vervullen. Hij werd daarin echter tegengewerkt door SS-leider Heinrich Himmler. Rosenberg had er vrede mee dat er vanwege het plunderen van levensmiddelen veel inwoners in de bezette gebieden zouden verhongeren, maar hij wilde wel de agrarische productie aan de gang houden. Voor Himmler stond echter de uitroeiing van Untermenschen op de eerste plaats.

Zijspoor

Rosenberg verloor zijn machtsstrijd met de SS-chef en kwam op een zijspoor terecht. Vanaf dat zijspoor zag hij hoe het door hem aangewakkerde antisemitisme uitmondde in de Holocaust. Bij zijn executie in 1946 was hij, een man die altijd wat te zeggen had gehad, de enige van de nazi-leiders die geen laatste woorden had.

Wittman en Kinney hebben met Dagboek van de duivel in feite twee boeken in één kaft gestopt: deels is het speurtocht naar een verdwenen manuscript, deels een biografie. Die combinatie zorgt ervoor dat het boek nooit als één geheel voelt. De queeste naar het dagboek wordt nergens echt spannend en als levensbeschrijving van Rosenberg schiet het ook tekort. Dat is jammer, want het basismateriaal van het boek is boeiend genoeg. Rosenbergs leven laat zien dat ideeën – hoe vaag en theoretisch ze ook mogen lijken – verstrekkende gevolgen kunnen hebben.

    • Bart Funnekotter