‘Nederland in topdrie beste infrastructuur’

Dat zei minister Schultz van Haegen zondag in praatprogramma Buitenhof

Foto Istock

De aanleiding

Bij de lancering van een ambitieus plan – het Nederlandse hoofdwegennet en waternetwerk zal in 2030 volledig energieneutraal zijn – stelde minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD) afgelopen zondag dat de Nederlandse infrastructuur tot de top van de wereld behoort. In een brief aan de Tweede Kamer schreef ze dat „Nederland wereldwijd in de topdrie zit als het gaat om de kwaliteit van onze infrastructuur”. In een interview met tv-programma Buitenhof zei ze het nog net iets algemener: „Nederland staat altijd op de tweede of derde plek in de wereld qua infrastructuur.”

Waar is het op gebaseerd?

Een woordvoerder van de minister verwijst naar een recent onderzoek door het World Economic Forum waarin het concurrentievermogen van 140 landen op verschillende categorieën op rij worden gezet.

En, klopt het?

Eerst de vraag: wat is ‘infrastructuur’ precies? Volgens de Dikke Van Dale omvat het van alles: „het totaal van de onroerende voorzieningen, als wegen, bruggen, opslagplaatsen, vliegvelden, oefenterreinen, pijpleidingen enz.” En ook: „de verbindingen te land en te water, en openbare voorzieningen zoals elektriciteit en telefonie”.

Op het eerste gezicht geeft het Global Competitiveness Report 2015-2016 van het World Economic Forum minister Schultz direct en volmondig gelijk. In de algemene klassement in de categorie ‘best infrastructure’ maakt Nederland een sprongetje van de vierde naar de derde plek, na koploper Hongkong en Singapore. Het eerste volgende Europese land, Zwitserland, staat op de zesde plaats.

Maar net als Van Dale erkent ook het WEF dat infrastructuur uit veel verschillende onderdelen bestaat, negen om precies te zijn.

Nadere bestudering van het rapport leert dat Nederland niet op alle subcategorieën even hoog scoort. Op twee onderdelen zeker wel: op de ‘kwaliteit van wegen’ staat Nederland tweede, op ‘kwaliteit van havens’ zelfs eerste. Maar op capaciteit van de burgerluchtvaart en dichtheid van mobiele telefoonabonnementen staat Nederland beduidend lager op de ranglijst: de 23ste respectievelijk 63ste plaats.

Deskundigen kennen niet alleen het rapport van het World Economic Forum maar nog veel meer internationale studies. Zij geloven dat minister Schultz beslist recht van spreken heeft. „Nederland behoort echt tot de hoogste regionen”, zegt Daniëlle Snellen, wetenschappelijk onderzoeker van het Planbureau voor de Leefomgeving. „Zeker als het gaat om mobiliteitsinfrastructuur.” Dat gaat om wegvervoer, spoorlijnen, waterwegen en faciliteiten voor fietsers. Dat beaamt Bert van Wee, hoogleraar Transportbeleid aan de TU Delft. Al zijn er kwetsbare plekken en is er hier en daar groot onderhoud nodig, kan Nederland „de internationale vergelijking zeer goed doorstaan.”

Maar de perceptie dan dat Nederland is dichtgeslibd? Met het permanente geklaag van automobilisten over files en treinreizigers over vertragingen? Volgens zowel Snellen als Van Wee scoort Nederland juist laag op het punt van congestie. Snellen verwijst naar de Tomtom Traffic Index, een internationale filemeter. „De eerste Nederlandse stad in de lijst – Den Haag – staat op plek 168.” En de dagelijkse opstoppingen die er in Nederland zijn beziet Van Wee van de positieve kant: „Files op de weg en vertraging op het spoor zijn een uiting van goede bereikbaarheid.”

Conclusie

Er valt iets af te dingen als je de definitie van infrastructuur heel breed neemt, maar in internationaal perspectief scoort Nederland relatief erg goed op het gebied van infrastructuur. De bewering van Schultz is waar.