Innerlijke mogelijkheden

Elke eeuw krijgt de Reynaert die ze verdient. Vandaar dat A.H.J. Dautzenberg in dit feuilleton met zijn 21ste-eeuwse versie van ‘Van Den Vos Reynaerde’ komt.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Terwijl De Leeuw en zijn adviseurs vergaderen, staat De Vos op het balkon. Hij merkt niet dat De Raaf naar buiten komt. „Sta je weer te piekeren?” De Vos draait zich om en kijkt zijn buurman verschrikt aan. Zonder iets te zeggen loopt hij naar binnen. Hij vertrouwt De Raaf niet, hij kent de soort. Bovendien moet hij leren om alleen te zijn, zodat hij de hunkering van het niet-bestaan kan ervaren.

De Vos steekt een witte stompkaars aan en zet de helende lichtbron op het Perzisch tapijt. Hij pakt het violette contemplatiekussen en gaat voor de dansende vlam zitten. De Lotushouding heeft hij onder de knie, maar de deur naar het onderbewustzijn blijft dicht. „Zoek de sleutel”, zei zijn zenmeester. „Zoek de sleutel in jezelf. Gebruik je innerlijke mogelijkheden.”

De Vos staart naar de vlam. „Het nu moet verdwijnen”, zegt hij tegen zichzelf. „Het nu móét verdwijnen.” Hij beseft tegelijkertijd dat hij geduld moet hebben, niet forceren, blijven oefenen. De innerlijke mogelijkheden, daar moet hij zich op concentreren. De Vos kijkt naar de kaars en denkt: de vlam lijkt op een oor. Het oor van De Wolf.

Jarenlang was De Wolf zijn beste vriend, zijn wapenbroeder. Samen maakten ze de Wildernis onveilig. Dat waren nog eens tijden. Zijn mobieltje rinkelt. De Vos staat zuchtend op, loopt naar het bureau en kijkt op het display. Het is De Kat, opnieuw belt een adviseur van De Leeuw. De Vos drukt op ‘gesprek weigeren’. Op dit moment heeft hij De Leeuw niets te bieden. Waarschijnlijk heeft hij De Leeuw nooit meer iets te bieden.

De Vos loopt zenuwachtig door het appartement. Wat is er met me aan de hand?, vraagt hij zich af. Waarom ben ik toch zo bang? Ik moet weer gaan zitten. Mindfulness zal me bevrijden van mijn angsten.

De Vos staart opnieuw naar de vlam en concentreert zich op zijn ademhaling, op zijn hartslag, op wat het lichaam allemaal voor hem doet. Ik moet dankbaar zijn, denkt hij, het leven is een wonder, het zit boordevol happiness, ik moet opgaan in het licht, het kosmische licht.

Zijn gedachten dwalen langzaam af naar zijn zoontjes. Samen sluipen ze door de Wildernis. Hij voorop, de twee er vlak achter. Hij zal hen wel eens laten zien hoe je met list en bedrog de anderen de baas kunt zijn. Hij zal hen wel eens leren hoe je… Opnieuw rinkelt zijn telefoon. De Vos staat op en loopt naar het balkon. Het licht breekt de kleuren van het landschap.

Het begint te regenen. De Vos vindt het niet erg om nat te worden, hij houdt van de regen, regen past bij zijn verdrietige hart. „En maar piekeren.” Het is De Raaf, ook hij trotseert de regen. „Laat me godverdomme met rust”, roept De Vos en schrikt direct van zijn harde woorden. „Sorry, zo bedoelde ik het niet”, verontschuldigt hij zich en loopt met gebogen hoofd weer naar binnen.

Het is lente, zegt hij tegen zichzelf. Het is lente, het nieuwe leven gaat beginnen. Maar het blijft onrustig in zijn hoofd. Wat wil De Leeuw toch van hem?

Wordt vervolgd

    • Anton Dautzenberg