‘Ik wilde de geniale, ongelezen schrijver zijn’

Deze Zweedse bestseller-auteur publiceerde net het zesde deel van zijn indrukwekkende, historische reeks De Grote Eeuw. ‘Ik wilde een stem geven aan de spionprostituees uit Noorwegen die in WO II in Zweden werkten. Zij waren reddende engelen.’

‘Als je een historische roman schrijft, dan moet je nooit het adelaarsperspectief kiezen”, zegt de Zweedse schrijver Jan Guillou (72). „Nooit het hele geschiedenisverhaal vertellen, dan wordt het een les, maar details eruit halen en met onbevangen blik kijken. Als ik over de Tweede Wereldoorlog schrijf, dan zeg ik ’s morgens tegen mezelf aan de werktafel, voordat ik begin: ‘Ik heb nooit van Hitler gehoord, het woord Auschwitz schrijf ik nu voor het eerst op.’ Alsof ik het allemaal als nieuw moment in de geschiedenis meemaak.”

Op de middag van ons gesprek is Guillou euforisch: de nacht ervoor heeft hij het zesde deel van zijn indrukwekkende reeks historische romans onder de verzameltitel De Grote Eeuw voltooid. Hij geeft de titel graag prijs: Real American Blue Jeans. Recent verscheen het vijfde deel, Blauwe Ster hier in vertaling. Een spannende, rijke roman over vrouwen als Noorse en Zweedse spionnen in de Tweede Wereldoorlog.

Ons gesprek heeft plaats op de burelen van de door Guillou en zijn vrouw opgerichte uitgeverij in Stockholm: Piratförlaget, ofwel Piratenuitgeverij. Vooraanstaande schrijvers als Liza Marklund en Jo Nesbø vinden hier onderdak.

Guillou: „Voor het eerst in deze reeks schrijf ik in de ik-vorm. Dit nieuwe deel gaat over het eind van de jaren vijftig en begin jaren zestig, de tijd waarin ik teenager was. Voor het eerst in de geschiedenis van Zweden hoefden jongeren tussen dertien en negentien in die tijd niet te werken; ze gingen naar school. Hierdoor ontstond een nieuwe cultuur waarin muziek uit Amerika en Engeland een belangrijke rol speelde; pop, rock ‘n’ roll. In Zweden wilde iedereen spijkerbroeken dragen, maar er waren er te weinig en de Zweedse blue jeans waren niet goed genoeg. Daarom staat er ‘real American’ in de titel.”

‘De Grote Eeuw’ is een ambitieuze romanreeks, die de hele twintigste eeuw omspant.

„In het eerste deel, Bruggenbouwers, introduceer ik drie personages, de broers Lauritzen. In hen zou je mijn twee broers kunnen zien en ikzelf. De oudste studeert voor ingenieur in Dresden aan het begin van de eeuw. Bij zijn afstuderen hield de directeur een visionaire toespraak. Hij zei onder meer dat er later in die eeuw transatlantische passagiersvluchten zouden zijn naar Amerika. In mijn vroegste jeugd hoorde ik dit verhaal van mijn grootvader. Daarom begin ik mijn romanreeks in 1901 met de geslaagde pogingen van luchtvaartpioniers. Niet eens veel later, in 1969, zette de eerste mens voet op de maan. En dan is die prachtige eeuw nog niets eens driekwart gevorderd.”

De drie broers symboliseren ‘de grote eeuw’, zoals u het noemt. Hoe kwam u op dat idee?

„Het belangrijkste voorbeeld van een historische roman die meer generaties beslaat is Buddenbrooks van Thomas Mann, verschenen in 1901. Dat boek gaat over bloei en verval van een rijke koopmansfamilie. De drie generaties vertegenwoordigen een klassieke situatie, zoals die in tal van families voorkomt. De eerste generatie verwerft kapitaal, de tweede erft en bestendigt het familievermogen en de derde verkwanselt het. Daarom heet het derde deel uit de serie Dandy uit het noorden. Hierin beschrijf ik de kunstzinnige jongste broer die in Parijse artistieke kringen verkeert. Hij is bij de beruchte wereldpremière van de Le Sacre du Printemps van Stravinsky, op 29 mei 1913. Meteen al na de eerste noten brak er onrust uit in de zaal. Ik beeld me als schrijver in dat ik daarvan getuige ben, dat ikzelf in die zaal zit. Dat is de voorwaarde die ik stelde bij het begin van De Grote Eeuw: schrijven als getuigenis.”

Wilde u vooral in die rotsvaste Scandinavische traditie staan: saga’s schrijven, familieverhalen?

„Ik geloof heilig in een familievertelling waarin grootouders en kleinkinderen elkaar opvolgen. Daartoe ben ik geïnspireerd door mijn eigen leven. Op een keer riep mijn grootvader de familie bijeen, het was Kerstavond. Zijn drie kleinzonen moesten bij hem komen. Hij nam een muntstuk van twee kronen en wierp dat in ons midden. We moesten erom vechten, wie is de sterkste? Ik won. Als beloning mocht ik elke ochtend met mijn grootvader ontbijten. Hij leerde me behalve tafelmanieren de familietraditie hoog te houden. Beschaafde omgangsvormen, zeilwedstrijden. Ik moest een geslaagde telg van de upper class worden.

En, bent u daarin geslaagd?

„In plaats van een technische opleiding koos ik voor de studie rechten. Mijn literaire ambities reikten torenhoog in die jaren: ik zag mezelf als een genie dat geen boeken mocht verkopen, want een echt groot schrijver wordt niet gelezen. Bovendien is zo’n schrijver links en daar past geen massaal publiek bij. Totdat vanaf 1965 in Zweden de detectives verschenen van Sjöwall & Wahlöö. Zij gebruikten het genre om scherpe kritiek te uiten op de Zweedse sociaal-democratische verzorgingsstaat. Het was een breuk met de traditie. Sjöwall & Wahlöö lieten zien dat ook de politiek, rechters en politie zich schuldig maakten aan onrecht en misdaad. Dat was ongekend. Detectives schrijven die én links waren én reusachtig werden gekocht. Met één slag was ik bevrijd van mijn syndroom de geniale, ongelezen schrijver te zijn. Ik wilde lijken op de artistiek begaafde, sensitieve Hanno uit Buddenbrooks met wie de familietraditie ten onder gaat. Dus geslaagd in mijn grootvaders optiek? Nee.”

U bent nu zelf een gevierd auteur met een miljoenenoplage. Uw spionagereeks ‘Coq Rouge’ en ‘De Grote Eeuw’ gelden als een sensatie.

„Mijn entree in wereld van het schrijven kwam via het mannenblad FIB aktuell met schaars geklede dames in de centerfold, zoals Playboy. Ik schreef reportages over Engelse kostschooljongens, over Cannes en Zweedse spionnen. Tijdens de Koude Oorlog was het spionageverhaal geliefd. In Coq Rouge kon ik in mijn meesterspion Carl Hamilton alles kwijt. Het spel met identiteit, geheime codes, infiltraties. Ik wilde achter de schermen van de officiële politiek kijken.”

In 1973 werd u veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf na een schandaal over de Zweedse inlichtingendienst. Wat had uw grootvader daarvan gevonden?

„Hij stierf toen ik 21 was, dus ik heb het hem nooit kunnen vragen. Maar wat ik wel van hem leerde, is de noodzaak de contramine op te zoeken en zaken grondig uit te zoeken. Mijn veroordeling was volkomen onterecht: met enkele collega-journalisten had ik aangetoond dat in Zweden een niet-officiële inlichtingendienst werkzaam was die politici bespioneerde. De Zweedse regering zei hier destijds niets van af te weten. Ook werkte deze dienst samen met de Israëlische veiligheidsdienst, en dat kan niet als je officieel een neutraliteitspolitiek voert. Onze publicatie hierover deed veel stof opwaaien. In die tijd leek ik een personage uit mijn Coq Rouge-boeken, een spion die de inlichtingendienst bespioneert. Ik vatte mijn schrijfwerk persoonlijk op. Dat is belangrijk: zo dicht mogelijk op je onderwerp zitten, schrijven vanuit concrete situaties.’’

U heeft ook geprobeerd de toedracht te achterhalen rond de moord op premier Olof Palme in 1986.

„Palme zou vlak voordat hij werd vermoord een lezing geven op de Harvard Universiteit. Hij vroeg hiervoor geen geld, maar bedong dat zijn zoon daar met een beurs mocht studeren. Toen dit uitlekte, beschouwde de Zweedse staat deze beurs als belastbaar inkomen, waarover Palme belasting moest betalen. Op 26 februari 1986 tekende Palme protest aan bij het Hof van de Provincie. Twee dagen later werd hij gedood. Deze transactie is de geschiedenis ingegaan als de Harvard Zaak. Nader onderzoek wees uit dat alle memories en notities hierover waren verdwenen. Ik wil niet zeggen dat de Harvard Zaak een rol speelde bij de moord, dat konden we niet hard maken. Maar als je een zaak van zo’n importantie bestudeert, moet je met alle scenario’s rekening houden. Een misdaadschrijver laat geen kans onbenut.”

In ‘Blauwe Ster’ brengt u een hommage aan vrouwelijke spionnen. Johanna en Rosa zijn de dochters van de Lauritzen-clan. Johanna’s codenaam is Blauwe Ster. Zij werkte als koerier van het Noorse verzet tegen nazi-Duitsland.

„In de Tweede Wereldoorlog bleef Zweden neutraal. Tal van vrouwen uit het Noorse verzet spioneerden in Stockholm. Dat was het hart van een spannende wereld van bedrog en verraad. Daar werd spionage tot het allerhoogste niveau beoefend, door vrouwen. Dankzij Johanna’s riskante werk konden honderden Noorse joden ontsnappen aan deportatie naar de vernietigingskampen. De vraag is: hoe kwamen deze vrouwen aan hun informatie? Dat is de kern van Blauwe Ster.

„Ongeveer twintig van deze Johanna’s en Rosa’s werkten als prostituee. Ze verleidden hooggeplaatste SS’ers in speciale clubs en hotels in Stockholm en moesten zich hun seksuele voorkeuren laten welgevallen. Ook plaatsten ze afluisterapparatuur in hun hotelkamers. Tijdens die erotische nachten of duurste diners, overspoeld met champagne, probeerden ze belangrijke informatie te vergaren, bijvoorbeeld waar en wanneer de Duitsers razzia’s zouden houden. Welke grensposten van het bezette Noorwegen naar het vrije Zweden niet bewaakt werden. Ik vertel het verhaal uit Johanna’s perspectief. Dat ze tijdens vrijpartijen met SS’ers de klaarheid van geest moest hebben om mannen aan het praten te krijgen. Perfect en ragfijn dubbelspel. Maar uiterst complex.”

U schrijft over het bittere lot van deze vrouwen na de oorlog.

„Ja, ze kregen het zwijgen opgelegd. Dat heb ik altijd onrechtvaardig gevonden, een misdaad van de Zweedse regering. Deze vrouwen werden genegeerd door de militaire leiders. Die kregen medailles opgespeld en mochten hun heldhaftige memoires schrijven. Vrouwen als Johanna en Rosa maakten na de oorlog geen kans op een baan, want ze konden nooit antwoord geven op de vraag wat ze tijdens de oorlog hadden gedaan. Het zou toch zo eenvoudig zijn geweest hun een getuigschrift te geven met daarop het wapen van Zweden met als tekst dat ze zich tijdens de oorlog als een reddende engel hebben bewezen. Maar nee. De hoge militairen trokken de overwinning naar zich toe. Oorlog is een mannenzaak. En de vrouwen die hun leven waagden, waren daar de dupe van. Om die reden schreef ik Blauwe Ster: om de beide zusters en daarmee al die andere spionprostituees alsnog eerherstel en een stem te geven.”

    • Kester Freriks