Iedereen op rantsoen, behalve één

In haar nieuwe roman, die zich afspeelt in een chique afvalkliniek, tast Renate Dorrestein de grenzen van het fatsoen af.

Hoe moeilijk is het een fatsoenlijk mens te blijven als de omstandigheden onfatsoenlijk worden? Nee, u leest geen nagekomen verslag van een congres van het Christen Democratisch Appèl. De bovenstaande vraag werd een tijdje geleden door Renate Dorrestein bij een openbaar interview aangeduid als het centrale punt van haar oeuvre. Het kwam er achteloos en zelfbewust uit; Dorrestein is een vrouw die weet wat ze doet. Niet zozeer omdat ze een schrijver met een programma is, laat staan een christen-democratisch programma, maar omdat ze na dertig jaar schrijverschap zelf ook wel weet wat haar bezighoudt. De fatsoensvraag staat ook op haar website, met als de opmerking dat ‘(misplaatst) schuldgevoel’ een rol speelt in haar werk. En zelfvernietiging, ben je geneigd daaraan toe te voegen, al staat dat daar niet. Wel wordt op de site gerefereerd aan de zelfmoord van Dorresteins zusje – die leidde tot het onvergetelijke Het perpetuum mobile van de liefde (1988).

Dorrestein weet wat ze wil, weet wat ze kan en heeft dat in de loop der jaren zo duidelijk geformuleerd dat het gevaar van de literaire invuloefening op de loer ligt. Na ruim twintig romans is wel duidelijk waar de piketpaaltjes van het oeuvre ongeveer staan. Dorrestein is een geëngageerd schrijver: haar romans staan dicht bij de werkelijkheid. De ene keer lijkt ze vooral inconsequenties en misstanden te willen tonen, op andere momenten lijkt ze haar lezers, als wijlen Louis Paul Boon, een geweten te willen schoppen.

Op de flap van Zeven soorten honger wordt verwezen naar ‘een van haar grote thema’s: eten of gegeten worden’. Plaats van handeling is het William Banting Instituut, een grote afslankvilla in de duinen bij Bloemendaal. Al mag die niet zo heten; officieel verblijven de cliënten er om hun levensstijl te verbeteren. In de praktijk zijn het allemaal rijke mannen met overgewicht die een compleet jaarsalaris als borg hebben gestort. Ze worden afgebeuld door personal trainers en krijgen zeer weinig te eten: ‘Met zo veel mogelijk omhaal gaan de gasten een schijf groente te lijf die in anderhalve hap te verorberen is, nog vastberadener om in hun maaltijd te geloven dan een klein kind dat langdurig met opgeblazen wangen op een denkbeeldig taartje kan kauwen.’ Hun borgsom krijgen ze alleen terug als ze voldoende zijn afgevallen.

Zwerver

De hoofdpersoon van de roman is Nadine Ravendorp, die met haar man Derek de villa al vijfentwintig jaar bestiert. Eigenlijk heten ze anders: hier regeert de schone schijn. Ook in hun langlopende huwelijk trouwens. Nadine verzwijgt voor Derek een blaastest met ongelukkig resultaat, ze rijdt een een zwerver aan en neemt deze mee naar huis en ze laat een anorectisch meisje toe tot het Instituut – dingen die verborgen blijven voor haar echtgenoot, die een paar dagen weg is.

Derek torst op zijn beurt een geheim met zich mee dat het voortbestaan van hun levenswerk direct bedreigt. Zo ontrolt zich de plot, volgens het bekende stramien dat wat begint als een leugentje om bestwil een aantal stappen verder met de beste wil van de wereld niet meer recht te breien valt.

Veel draait – uiteraard – om eten in Zeven soorten honger. Niet alleen schrijft Dorrestein met veel plezier over de nagenoeg calorieloze hapjes in het instituut, ook laat ze Derek stiekem marsen schransen en blijkt dat de honger van Nadine niet alleen met haar maag te maken heeft: er is al maanden weinig voorgevallen in de echtelijke sponde. Het overzichtje van de zeven soorten honger dat in de roman staat, besluit dan ook nogal voor de hand liggend met de ‘honger van het hart’ – een explicatie van wat de lezer dan allang heeft bedacht. Tussendoor strooit Dorrestein met voedselmetaforiek en komt ze bij tijd en wijle heel geestig uit de hoek, soms op het melige af. Wanneer ze haar hoofdpersoon laat terugdenken aan een voorhuwelijkse ervaring met een Libanees in zijn harem, denkt Nadine: ‘Bij de banaan van de profeet, hij dacht hier blijkbaar alleen maar eigen voordeel uit te halen.’

De moeizame relatie tussen de moderne mens en wat hij zoal verorbert, belicht Dorrestein van talloze kanten, waarbij het contrast tussen de obese oude mannen en het jonge broodmagere meisje Hedwig volop wordt uitgebuit. Want wie moet hier nu eigenlijk een voorbeeld nemen aan wie? De kadaverdiscipline van de anorexiapatiënte is precies datgene wat de dikke mannen niet kunnen opbrengen buiten de afvalkliniek – intussen is het kind er het slechtst aan toe.

In de relatie tussen Nadine en Hedwig komt Dorresteins centrale vraag ook het sterkst naar voren. Want al snel wordt duidelijk dat het verblijf van het meisje van levensbelang is voor het voortbestaan van de kliniek. Tegelijkertijd weet Nadine ook wel dat de vijftienjarige niet alleen misplaatst is in het ‘Instituut’, maar dat het leven in een omgeving die draait om gewichtsverlies ook ronduit gevaarlijk kan zijn. In dat conflict zit de gewetensvraag voor Nadine. Met de zakenlieden kan ze op voet van gelijkheid omgaan: er zijn contracten en afspraken en van de cliënten kan wel worden verwacht dat ze begrijpen dat het ‘verbeteren van levensstijl’ in werkelijkheid niets anders is dan een opgepimpte versie van de Weight Watchers. De grenzen van het fatsoen kun je dan ruim nemen.

Maar met het meisje ligt dat anders: moet zij niet gewoon naar een psychiatrische kliniek? De relatie tussen de welbewust kinderloze Nadine en haar vijftienjarige gast is een van de interessantste aspecten aan Zeven soorten honger. Ze bemoedert haar niet of onhandig – en dat lijkt te werken. Lijkt, want aan het slot van de roman heeft Dorrestein nog een cliffhangertje verstopt.

De afwikkeling van de overige huwelijkse en zakelijke problemen is minder overtuigend: Dorrestein tovert wat konijnen (no food intended) uit de hoge hoed om toch nog veel op zijn pootjes terecht te laten komen. Echt hard wordt het spel met de moraal uiteindelijk niet gespeeld in Zeven soorten honger. Wat dat betreft is het meer een roman die laat zien hoe de wereld nu eenmaal is, dan eentje waarin de orde der dingen wordt uitgedaagd.

    • Arjen Fortuin