Hollandse meesters

In de jaren zestig stond een generatie cameralieden op: ze zagen zichzelf niet als vaklui, maar als Hollandse meesters.

Interstellar

‘Je kunt niet iets opwindends of origineels maken als je je keurig aan de regels houdt”, zei cameraman en regisseur Jan de Bont onlangs. Durf en improvisatie worden in het buitenland gewaardeerd, merkte hij na zijn vertrek naar Amerika medio jaren tachtig. Ook generatiegenoten Robby Müller, Theo van de Sande en Theo Bierkens trokken naar het buitenland: zij waren gewend om films met kleine budgetten er groots te laten uitzien. Hollywood is dol op goedkope oplossingen die duur lijken.

Nederlandse cameramensen zijn nog steeds in trek: de in Polen opgeleide Hoyte van Hoytema timmert aan de weg met blockbusters als Interstellar en Spectre , Richard van Oosterhout verzorgde het camerawerk van Jane Austenfilm Love & Friendship. Maar niet zoals de ‘zestigers’.

In de jaren vijftig was het aantal Nederlandse speelfilms nog zeer bescheiden. Wellicht vanwege de calvinistische afkeer van gekkigheid waren we een land van documentaires. De ‘Hollandse documentaire school’, met plechtstatige filmers als Haanstra en Van der Horst, legde de nadruk op een kalme, ritmische montage met veel beeldrijm. Af en toe mocht een cameraman uitpakken, zoals bij Oscarwinnaar Glas. Maar hij bleef vooral dienend.

Dat veranderde met de komst van de Filmacademie, die in de jaren zestig een beroemde eerste lichting afleverde, met cameramensen die in de jaren zeventig de speelfilm domineerden: Jan de Bont, Frans Bromet en Theo van de Sande – Robby Müller was al naar Duitsland vertrokken. Zij hadden weinig op met calvinistische soberheid en schuwden onder invloed van de nouvelle vague het experiment niet. De tijden dat Jan Blokker schreef „weer een Nederlandse film, weer niks” waren voorbij.

Gezonde gekheid

Het leek ook een kwestie van zelfbeeld: deze lichting zag zichzelf in kunsthistorische termen. Theo van de Sande, die al dertig jaar in Amerika woont en werkt, verklaarde zijn doorbraak zo: „Geboren worden in Tilburg, vlak bij Vincent van Goghs geboorteplaats en op enkele kilometers van waar Jheronimus Bosch leefde, zal wel wat gezonde gekheid op mij hebben afgestraald.” De cameraman ‘schildert met licht’, zijn werk is een pendant van het dramatische clair-obscur van Rembrandt of van de compositorische eenvoud van Vermeer. Zo spreekt Wim Wenders over Robby Müller: „Hij is een groot kunstenaar, een van de Hollandse meesters.”

Middels licht, compositie, camerahoeken, technisch vernuft maar vooral verbeeldingskracht transformeert de cameraman de werkelijkheid tot beelden die je nooit vergeet. De ogenschijnlijk over het land zwevende koeien uit Fanfare, het als een stralenkrans tegen het grijs oplichtende haar van Hannie Schaft in Het meisje met het rode haar of Jan de Bonts expressionistische zwart-witfotografie in De blinde fotograaf: het zijn maar drie voorbeelden. Eindelijk overwon ‘gezonde gekheid’ protestantse soberheid. Het bleek een intermezzo: Hoyte van Hoytema, nu de grootste cameraman, hoor je nooit over kunstenaars praten. Hij vergelijkt cameramensen met songschrijvers. Zijn vak is een ambacht, niet meer en niet minder.

    • André Waardenburg