Van der Steur ging een grens over, maar was wel integer

Minister Ard van der Steur Voor de vierde keer debatteerde de Kamer over ‘het bonnetje’. Is het nou eindelijk klaar?

Van der Steur tijdens het debat in de Tweede Kamer Martijn Beekman/ANP

Veel Tweede Kamerleden noemden ‘de mensen thuis’, in het debat over de Teevendeal woensdag. Onvindbare bonnetjes, foute informatie van ministers en klungelende topambtenaren. „In deze puinhoop verdwijnt het vertrouwen van burgers in het ministerie van Veiligheid en Justitie”, zei Kees Verhoeven (D66).

Het was het vierde Kamerdebat over de Teevendeal sinds de eerste berichtgeving van Nieuwsuur in maart 2014. Onderwerp: de schikking die Fred Teeven in 2000 als officier van justitie sloot met drugscrimineel Cees H.

De oppositie had genoeg munitie gekregen van de tweede commissie-Oosting, die de zoektocht naar het betaalbewijs van de schikking onderzocht, om het minister Ard van der Steur moeilijk te maken.

Zo hadden alle partijen, ook de coalitiefracties, kritiek op de nauwe betrokkenheid van Van der Steur als VVD-Kamerlid bij toenmalig minister en partijgenoot Ivo Opstelten. Tijdens het debat kwam daar wéér nieuwe informatie over naar boven.

Eerder bleek al dat Van der Steur een brief van Opstelten aan de Tweede Kamer verregaand heeft geredigeerd. In die brief van 3 juni 2014 staat dat het bonnetje ook na een nieuw onderzoek echt onvindbaar is. Nu zei Van der Steur dat hij bij het redigeren ook het vertrouwelijke onderzoeksrapport van die zoektocht al mocht inzien. Andere Tweede Kamerleden kregen die vertrouwelijke inzage pas een week later.

Van der Steur erkende dat hij daarmee een „grens overschreden” had. Al deed hij het toen met goede bedoelingen. „Mijn beleving toen was dat ik dat deed vanuit mijn integriteit.”

De oppositie wendde zich ook tot de huidige justitiewoordvoerder van de VVD-fractie, Foort van Oosten. Heeft hij ook wel eens een meegeschreven aan een regeringsbrief? „Ik meen van niet”, zei Van Oosten. Om daar snel aan toe te voegen dat de Kamer nu niet „in een kramp” moet schieten.

Niet alle informele contacten tussen minister en Kamerlid zijn verboden. „Als ik een bijdrage kan leveren aan de hoofddoelstelling van het ministerie, het oppakken van criminelen – natuurlijk spreek ik daar dan over! Daarvoor ben ik toch in de politiek gekomen?”

Volgens Kees van der Staaij (SGP) wordt er in Nederland wel vaker „gezondigd tegen het zuivere dualisme”, en dat is niet altijd verkeerd. Maar met zo’n grote bemoeienis op zo’n pikant dossier is Van der Steur wel degelijk „een grens over gegaan”.

Ook premier Mark Rutte (VVD) moest zich verdedigen. In het rapport staan passages die suggereren dat hij betrokken was bij het benaderen van OM-leidinggevende Henk van Brummen voor een zoektocht naar het bonnetje, in plaats van Kees Vendrik, van de onafhankelijke Algemene Rekenkamer.

Rutte zei zich niet te kunnen herinneren dat hij hierover benaderd was. Hij wordt elke dag over vele zaken geïnformeerd, door verschillende ministers, zei hij. Bovendien was dit dossier in 2014 nog niet zo gevoelig. Dat werd het pas begin 2015, toen Nieuwsuur het ‘onvindbare’ betaalbewijs had gevonden.

De hoofdconclusie van de commissie-Oosting speelde amper een rol in het debat. Volgens Oosting functioneerde de Justitietop zo slecht dat die niet eens in staat was geweest om een doofpot te organiseren.

Minister Van der Steur zei dat zijn ministerie probeert te leren van de gemaakte fouten. De nieuwe Justitietop zou al intensiever samenwerken.

Een onbevredigend gevoel bleef hangen bij de Tweede Kamerleden. Het was dan misschien geen doofpot, zei Verhoeven, maar er was ook niet hard gezocht. „De strategie van passiviteit lijkt me wel de dood in de pot voor dit ministerie.”

Volgens ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers ging dit hele debat over „moraal, integriteit en waarheid”. „Het vertrouwen tussen Kamer en kabinet en overheid en burger is beschaamd. We zullen hard moeten werken om dat te herwinnen.”

    • Christiaan Pelgrim