Grunberg op bezoek in Palestijns gebied

Op uitnodiging van de Israëlische Breaking the Silence is Arnon Grunberg in bezet Palestijns gebied, ondermeer bij de militaire rechtbank Ofer.

Palestijnse jongen toont stenen, bij protest tegen Palestijnse gevangenen in Israëlische cellen in Ofer. foto AFP/ ABBAS MOMANI

Tot wel zeventien mensen bevinden zich tegelijkertijd in de container. Er is een rechter, er zijn beklaagden, een aanklager, advocaten. Van anderen is het onduidelijk wat hun rol is in het geheel. Af en toe komt er midden in het proces iemand binnenlopen met een stapel paperassen.

Achter in het noodgebouwtje slaat Arnon Grunberg het geheel gade. Op uitnodiging van de Israëlische veteranenclub Breaking the Silence is hij een week in de regio om met eigen ogen de bezetting van Palestijns gebied te zien. Naar aanleiding van zijn ervaringen zal Grunberg, net als bijvoorbeeld Dave Eggers en Mario Vargas Llosa, een essay schrijven dat volgend jaar wordt opgenomen in een boek over een halve eeuw Israëlische bezetting.

Deze dag zit hij in de militaire rechtbank Ofer, nabij het Palestijnse plaatsje Rafat op de bezette Westelijke Jordaanoever. Deze rechtbank is berucht omdat 99,74 procent van de Palestijnse verdachten er schuldig wordt bevonden, meestal aan vergrijpen als het gooien van stenen naar Joodse kolonisten. Overigens woont de militaire hoofdaanklager zelf in een illegale nederzetting.

Absurdisme in de beste traditie van Ionesco? Grunberg oordeelt niet; hij vraagt liever. Aan mensenrechten advocaat Gerard Horton, die al jaren strijdt tegen de in zijn ogen oneerlijke procesgang in Ofer: „Wat zou jij dan doen als je een Palestijn was die zich tegen de bezetting zou willen verzetten?” Het antwoord van Horton kan hem bekoren; de Australiër citeert een Israëlische generaal die ooit had gezegd dat Israël „niet goed is in Gandhi”. Massaal vredelievend verzet als geneeskrachtig recept, dus. De militaire rechtbank ligt op vijftien kilometer afstand van Dolev, de nederzetting waar Grunbergs oudere zus Maniou-Louise woont met haar man en zeven kinderen. Vijftien kilometer de andere kant op ligt Jeruzalem, waar zijn beide ouders begraven liggen. Of Grunberg wil of niet, de keuzes van zijn familieleden zullen hem altijd op de een of andere manier aan Israël verbinden.

„En omdat ik Joods ben,” zegt hij in de taxi terug naar zijn hotel in Oost-Jeruzalem, „word ik ook geacht stelling te nemen over Israël.” De recente politieke aanvallen op mensenrechtenorganisaties, waaronder „de belangrijke organisatie” Breaking the Silence, noemt Grunberg „Poetin-achtig” en „de verwording van het zionisme”, waarvan hij de oorsprong overigens best zegt te begrijpen. De verrechtsing van de laatste tijd, denkt hij, leidt tot „een politiestaat met een extremistische regering, die een gevaar is voor Israël.”

Liever ziet hij een situatie zoals in zijn woonplaats New York, „waar de Afrikaanse taxichauffeur weet wanneer het Grote Verzoendag is”. Elkaars feestdagen kennen, dát is het onderscheid naar etniciteit en religie voorbij, aldus Grunberg.

Israël, zegt hij, is een Arabisch land geworden. „Ze hebben de slechte gewoontes van hun buren overgenomen.” Maar wat te doen, anders dan de door Gandhi gepropageerde geweldloosheid? „Ik ben wel voor het boycotten van producten uit illegale nederzettingen. Maar ik ben het niet eens met Dyab Abou Jahjah, die principieel niet met Israëliërs praat. Dan praat je dus ook niet met Breaking the Silence, dat uit Israëliërs bestaat. Je moet altijd in gesprek blijven.”

In zijn roman De Joodse messias schreef Grunberg al eens over het land. Nieuw romanmateriaal zou weleens verscholen kunnen liggen in de nederzetting van zijn zus – hoewel hij zich daar bij voorkeur „niet langer dan een paar uur achter elkaar” bevindt. Haar ideeën – ze woont om ideologische redenen in een nederzetting – vindt Grunberg „radicaal”, zegt hij. Maar toch: hij heeft wel elf jaar met zijn zus in één huis gewoond. „En we delen genetisch materiaal. Ik zie er niet echt naar uit, maar misschien zou ik daar toch eens wat langer moeten verblijven.”

    • Derk Walters