Recensie

Grandioze uitvoering opera ‘Pique Dame’

Het Concertgebouw-orkest en dirigent Jansons gloriëren in ‘Pique Dame’. Grote troef is power-tenor Misha Dydik als de gokverslaafde officier Hermann.

Met spijt vertrok Mariss Jansons (73) vorig jaar als chef van het Concertgebouworkest. Twee orkesten (Amsterdam én München) was er met zijn gezondheid één te veel. Gelukkig is er deze maand nog een Grande Finale: negen uitvoeringen van Tsjaikovski’s Pique Dame - om de nieuwe chef Daniele Gatti daarna alle ruimte te gunnen in voetsporen die moeilijk navolgbaar zijn.

Hetzelfde regieteam, Jansons én orkest realiseerden vijf jaar geleden ook Tjsaikovski’s Evgeny Onegin. Die productie bewees al hoezeer Jansons topchef is in het bereiden van melancholie. Ook scenisch doet Pique Dame aan die Evgeny vaak denken. Regisseur Herheim heeft een herkenbaar signatuur: niet te zuinig met Freud, uit de muziek gedestilleerde vondsten, één gedurfd grondconcept. Een cruciale pendant van zijn gutsy ideeënoverdaad zijn de monumentale decors waarin geen wand zomaar enkelvoudig functioneel is, spiegels de verbeelding een hallucinatoir opkontje geven en romantiek wordt uitgeserveerd onder een sterrennacht van kristallen tranen.

Je kunt je afvragen waar de Russische opera zou zijn zonder Poesjkin. Diens verhaal van Pique Dame (‘Schoppenvrouw’) is hier vermenselijkt: officier Hermann is gokverslaafd én verliefd op Liza. Om kapitaal te maken hoopt hij haar oma het geheim van de ‘tri carti’ (drie winnende kaarten) te ontfutselen. Maar zij schrikt zich van die insluiper letterlijk dood en fluistert hem als geest het geheim verkeerd in, waarop Hermann zich fataal in het spel verliest, Liza zich verdrinkt en Hermann zelfmoord pleegt.

Tsjaikovski’s affiniteit met Hermanns „Sympathie mit dem Tode” is steeds voelbaar. Tsjaikovski huwde ondanks zijn homoseksuele geaardheid een vrouw, vluchtte, zocht troost in de muziek en vond de dood in een glas met cholera besmet water. Naar verluidt huilde hij tijdens het componeren van Hermanns sterfscène, waarin een mannenkoor bidt voor diens zielenheil.

Navoelbaar en verdedigbaar dus dat Herheim de identificatie tussen componist en hoofdpersoon tot uitgangspunt nam en dat al in de eerste scène homo-erotische fantasieën worden verstoord door een speeldoos die Mozarts Ein Mädchen oder Weibchen speelt. Een prachtvondst, want Tsjaikovski grijpt op dat motief zelf later terug. En zo zit de productie vol verwijzingen: beschermengelen, doodsfaunen, veren als zinnelijkheidssymbolen, gifbekers die, stroboscopisch oplichtend, aan de dood herinneren. Niet alles is subtiel, niet elk geboden eindje wordt vastgeknoopt, maar de pulserende ideeënrijkdom geeft wel vaart aan het niet overal soepel verlopende verhaal.

Orkestraal is de productie boven alle kritiek verheven. Het Concertgebouworkest speelt op zijn best: gloedvol, met prachtsoli boven een pulserend hart van lage strijkers én brille in de 18de-eeuwse stijlpastiches. Ook de koorscènes – van folkloristisch tot orthodox – zijn grandioos. En dan is er Jansons. Hoe hij één muzikale zin laat zwellen en slinken. Hoe middenstemmen een hoofdrol krijgen. Hoe de kleinste schakeltjes stralend aandacht trekken. Hoe zo’n klank de hele productie ziel geeft.

Grote troef is Misha Dydik als Hermann: uiterlijk een Ilja Pfeijffer, vocaal een powertenor die Hermanns destructieve kreten („Naar de gokhal!” zingt hij, in wat dé liefdesscène moest worden) voorziet van een lekker rafelrandje. De titelrol is een van de dankbaarste vrouwen-op-leeftijdrollen uit de operaliteratuur en wordt door Larissa Diadkova ideaal vertolkt: met nostalgie, sleetse ijdelheid en rauwe eigenzinnigheid. Svetlana Aksenova is een fraaie Liza. In hartstochtelijke reliëf mist ze uitersten, maar ze straalt in het duet met Polina. Opmerkelijk Christiaan Kuyvenhoven als pianist/Tsjaikovski.

Het zijn Jansons en het orkest die je laten voelen om welke duistere krachten het in Pique Dame draait.

    • Mischa Spel