Gaan we dit echt ‘racismedebat’ noemen?

Het racismedebat is limbodansen geworden, schrijft Walt van der Linden. „De lat steeds lager en applaus voor wie er onderdoor kan.”

Op 9 november 2015 trok het Sinterklaasjournaal 976.000 kijkers, 113.000 meer dan het gelijktijdig uitgezonden Zesuurjournaal. Allemaal racisten, vindt schrijver Philip Huff (8/6): „Het maakt niet uit of je Gario of Ezzeroili irritant vindt; als je je kinderen naar het huidige Sinterklaasjournaal laat kijken, ben je racist.” Volgens hem zijn er namelijk precies twee kampen: dat van het probleem en dat van de oplossing. Uiteraard bivakkeert Huff zelf in kamp twee.

Exemplarisch voor het huidige racismedebat: polariseren, beschuldigen, schelden. De politieke groepering Denk wil verbinding en pleit voor meer respect. Ondertussen is Geert Wilders wel gewoon zowel Adolf Hitler als een kankergezwel. Soms is het nu eenmaal noodzakelijk om harde woorden te gebruiken, stelt leider Tunahan Kuzu.

Laat dit nu exact het kulargument zijn waar iemand als columnist Annabel Nanninga haar carrière op heeft gebouwd. Haal klaagneger en mongooltje uit haar vocabulaire en in haar opinies valt opeens niets interessants meer te ontdekken. Maar schelden, dáár is het debat niet voor bedoeld, schrijft Arnon Grunberg, die op zijn beurt dan weer vreest niet gehoord te worden zonder de opiniemaakster een periodieke explosieve stoornis toe te dichten. Dat mag rekenen op instemming van NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch, die is het er in een tweet verschrikkelijk mee eens. HP/De Tijd noemt het zelfs een eloquente veeg uit de pan. Is dit niet juist óók gewoon schelden?

Het is ook Huff niet ontgaan: de toon in het debat verhardt, stelt hij vast. Om vervolgens een kleine miljoen Nederlanders voor racist uit te maken. Het lijkt wel een wedstrijd limbo-dansen. De lat steeds verlagen en applaudisseren voor wie er onderdoor kan. Is dit nu de intellectuele voorhoede? Gaan we dit echt een ‘racismedebat’ noemen? Rob Waumans beklaagde zich ook over de toon van het debat (4/6), zij het op een iets andere manier. Tegenover Nadia Ezzeroili moest hij zich opeens verantwoorden voor de samenstelling van zijn vriendengroep. Die was namelijk ‘homogeen als fuck’. Huff noemt deze ruzie gisteren „het zoveelste incident” en plaatst het in een rijtje met onder meer het staande houden van de Mitsubishi Outlander-rijdende rapper Typhoon.

Infantiel geruzie en etnisch profileren, in het huidige debat zijn het vergelijkbare grootheden. Als iedere Nederlander die iets van deze drek gelezen heeft zich in plaats daarvan nu eens één minuut had ingeleefd in Typhoon. Waumans is in dit rijtje wel de enige die een wezenlijk punt aankaart. Framen, beschuldigen en schelden, het is de stijl van defaitisten. Er zal niet worden geluisterd, de ander zal hen niet kunnen of willen begrijpen. Proberen met die instelling een conflict op te lossen is een self-fulfilling prophecy. Niet iets dat NRC je zou moeten leren. Dat was de taak van juf Ans, in groep 5, na je eerste knikker- of Flippodispuut.

Ik wil geloven dat de redelijke mensen in de meerderheid zijn. Ik geloof ook dat sommige van hen hun kinderen naar het Sinterklaasjournaal laten kijken. Mensen die wellicht de reikwijdte van een complex begrip als white privilege niet kunnen bevatten, maar in meer of mindere mate open staan voor de argumenten en de gevoeligheden van de ander. Daar valt een wereld te winnen.

Wat voor opiniemakers geldt, geldt ook voor de samenleving. Surinamers, salafisten, witte mensen: ze wonen naast je en zitten bij je in de trein. Je kunt een gesprek beginnen. Je kunt ontdekken hoe een ander over Zwarte Piet of etnische profilering denkt en proberen je daarin te verplaatsen. Je kunt je eigen privilege checken. Als we de probleem-oplossing-dichotomie van Huff hanteren, ligt de oplossing bij hen die de ander willen begrijpen. Minstens zo belangrijk: erop durven vertrouwen dat die ander hetzelfde zal doen.