Er ligt bij bezweringen zoveel tussen de regels

Ook het tweede deel van haar drieluik is een labyrint van jewelste. Dit keer zijn de bronnen minder onverholen en doet het actuele wereldgebeuren mee.

Foto istock

In 2011 publiceerde Eva Gerlach de dichtbundel Kluwen. De tweede pagina daarvan vermeldde dat dit het eerste deel was van een drieluik in poëzie en proza, Ogen wijdopen. In het zojuist verschenen tweede deel, Ontsnappingen, is de titel van dat drieluik veranderd in Labyrint. Dat woord omschrijft ook beter het landschap dat Gerlachs poëzie doorreist.

In een gesprek met Koen Vergeer in Poëziekrant (mei 2016) vertelt de dichter zelf wat haar in het drieluik in wording bezielt. Ze hoopt meer ruimte te hebben ‘om bij de waarheid van het geheel te komen. Iets dat beleving heet, binnen in je, waarin geheugen, planning en het beeld van wat er om je heen gebeurt door elkaar heen lopen, dat wilde ik uit elkaar halen.’ Zo’n toelichting is nog niet echt verhelderend, en het bleek ook gecompliceerder te zijn dan Gerlach dacht.

Net zoals Kluwen is Ontsnappingen een labyrint van jewelste. De tastende toon en de vaak lapidaire stijl van de verzen benadrukken dit. Gerlachs bronnen en de context zijn ook niet zonneklaar – maar bij herlezing roepen ze niettemin herkenning op. Gedicht na gedicht is ze op zoek naar wat tussen de regels kan liggen. Terloops worden daarbij vragen gesteld, zoals bij het verschuivende landschap vanuit de trein: ‘Het zien dat het gras er is is dat hetzelfde / als de nerf in het blad, de grasspriet tussen je tanden, / mierenbroodje, graspluim tegen je neus?’

Nieuw in Gerlachs oeuvre is dat ze onverholen toegang biedt aan de actualiteit van het wereldgebeuren. Ze doet dat nadrukkelijk in de cyclus ‘Geen ding’. De gedichten uit die reeks werden voor het oorlogsnummer van Het Liegend Konijn geschreven. Ze vertolken de stem van kinderen in krijgsgebied. Hun taal is onverbloemd, zoals in ‘Laken’:

Toen iedereen dood was begon ik hier voor mezelf

met mijn AK-47 mijn broertje van staal,

niemand komt me hier wassen en kammen en ik haal voor niemand

meer hout, alles komt van de soldaten

die van me houden omdat ik geluk breng en goed

kan mikken met de granaten.

Daar voor ons ligt de stad waar niemand meer woont

en ik kijk van hoog, stel mijn broertjes oog af op de daken,

dan lopen we wacht, allereerst naar het huis van mijn oom

die zich ophing omdat hij alleen nog met doden kon praten.

Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast

op mijn schouder waar hij kan slapen

en het raam van mijn oom staat open, op het balkon

bolt een laken op en het waait niet en niemand daar hangt

was aan de lijn, dus ik schiet en

het valt op de grond, het ziet er niet uit als een laken.

Directer is het niet te verwoorden, denk ik. Ook waar Gerlachs bronnen minder onverholen zijn, is haar taalgebruik rechtstreeks. Opvallend is dat voor de lezer volstrekt onbekende personages, zoals de geldbeluste geestenbezweerder Touba en de zonderlinge Rina, zichtbaar levend worden in Gerlachs bewoording. In die zin is deze poëzie volstrekt evocatief.

Het is geen vertrouwenwekkende wereld die hier beschreven wordt. Imponerend, en bij tijden dreigend zijn de cycli ‘Mors’, ‘Het slapeloze’ en ‘Draadnagel’. Die brengen de dood nabij: van familieleden van de dichter, maar ook van de dichter en de lezer zelf. Het is mij nog altijd een raadsel wat het bezwerende element in het idioom van Eva Gerlach is. Of is het niet het idioom, maar zijn het de woordschikking en zinsbouw die de tekst tot kleefkruid maken? Of is het de rake beeldtaal, zoals in ‘Straks’: ‘Het was avond toen ik je losliet, het gat van je mond sloot. / Er bewoog niets meer in je, dat kon ik voelen want ik / hield je vast, dat mocht voor een keer.’ Zo breekbaar kan alleen Gerlach een relatie verbeelden.

‘Het gaat mij,’ zei ze tegen Koen Vergeer, ‘in Ontsnappingen niet om een tegenstelling tussen binnen-vroeger, in knusse veiligheid, en buiten-nu, door nood uit huis gedreven. Ik wil al heel lang zicht krijgen op een mechaniek van vasthouden en loslaten, blijven staan en doorlopen, dood en leven.’ Zelf vindt ze dat dit allerminst is gelukt.: ‘er is wat verdriet blijven hangen en wat bedrog, een paar vragen en misschien een beetje troost, maar geen opheldering.’

De titel van Kluwen verwijst naar de knot garen of wol die Minos’ dochter Ariadne aan Theseus meegaf om weer uit het labyrint van de Minotaurus te komen. Ontsnappingen suggereert andere middelen om het doolhof de baas te blijven. Zelf is Eva Gerlach, denkt ze, er nog niet in het reine mee. Gelukkig is er nog een derde deel te gaan. Ik zie daar hoopvol naar uit. Kluwen was een hoogtepunt in het oeuvre van Gerlach. Ontsnappingen is dat evenzeer.

    • Arie van den Berg