Een opera in zeven talen

De nieuwe opera van Louis Andriessen vliegt alle kanten op. Theatre of the World is geïnspireerd op het denken van Athanasius Kircher, de geleerde die de hele wereld en alle kennis wilde omarmen.

De opera Theatre of the World van Louis Andriessen, met Lindsay Kesselman (A boy) en Leigh Melrose (Athanasius Kircher).

Op tafel ligt de antieke foliant waarmee ooit zijn fascinatie voor Athanasius Kircher is begonnen. Tooneel van China is de titel, een buitenissig werk in een wirwar van talen, met schitterende platen.

Kirchers drukkers en tekenaars zaten in Amsterdam, ook van de Latijnse edities, en deze Nederlandse vertaling – ‘eerste en enige druk’ – verscheen vlak na het origineel uit 1667. „Ik heb dit boek altijd als een grote schat beschouwd”, zegt Louis Andriessen (1939) in zijn woning aan de Keizersgracht. Vroeger stond het in de kast van zijn vader, componist Hendrik Andriessen.

Louis Andriessen wijst op de enige beschadiging, het langwerpig gaatje van een boekenworm. Ver is het beestje niet gekomen: zelfs boekenwormen leggen het af tegen Kircher.

De Duitse jezuïet, geleerde, fantast, vulkanoloog, sciencefictionauteur, talenvreter en zelfbenoemde hiërogliefenontcijferaar Athanasius Kircher (1602-1680) is de hoofdpersoon van Andriessens nieuwe opera, Theatre of the World. De wereldpremière was een maand geleden in Los Angeles, maar in Carré, waar beduidend meer scenische mogelijkheden zijn, krijgt de regie van Pierre Audi pas haar eigenlijke vorm.

De Walt Disney Concert Hall in LA, „dat verbazingwekkende gebouw van Gehry”, is immers een concertzaal, geen theaterzaal. „Er zijn geen coulissen, je kunt weinig doen met licht”, zegt Andriessen. „Voor Pierre Audi was dat wel schipperen. In Carré wordt het echt heel anders. Zo is er een reusachtige Toren van Babel gebouwd. De projecties van de Quay Brothers komen veel beter tot hun recht.”

‘Een groteske’ luidt de ondertitel van Theatre of the World. Stilistisch vliegt het volgens de componist alle kanten op, en daarin lijkt het werk op de geest van Kircher, die de hele wereld en alle kennis wilde omarmen. „Over Kircher mag alleen een opera in zes talen geschreven worden”, vindt Andriessen, wat hij dus ook heeft gedaan – zeven zelfs. De juichende Amerikaanse recensenten sloegen steil achterover van het polyglotte spektakel.

Andriessens opera is doordrenkt van ironie, een kernbegrip in zijn muziek. Zo’n oeuvre als dat van Kircher is juist alleen mogelijk als je níét ironisch denkt: „Alles is dan belangrijk. Terwijl het ingewikkelde van ironie is dat alles wat je belangrijk vindt tegelijkertijd ook totale onzin is. Die dubbelzinnigheid komt uit de Duitse cultuur – het begrip van de dramatische ironie is later ontwikkeld door Schlegel – maar er zijn geen tekenen dat Kircher daar gevoel voor had.”

Fabulerende hoofdpersoon

Waarom juist nu een opera over Kircher, zijn levenslange object van fascinatie? „Dat moment moeten we misschien verzinnen”, oppert Andriessen, geheel in het straatje van zijn fabulerende hoofdpersoon. „Er liggen altijd een heleboel dingen op tafel, en op zeker moment weet je dat dit het wordt. Dan moet je er nog wel iets van zien te bakken, natuurlijk.”

Voor het libretto benaderde Andriessen Helmut Krausser, een „briljante schrijver” wiens roman Melodieën hij zeer bewondert. Andriessens uitgangspunt was een jongetje dat bij Kircher aanklopt en zegt: ‘Ik wil alles weten.’ Krausser maakte daar al snel een duiveltje van, waardoor het verhaal een faustiaanse lading heeft gekregen.

Een vroege herinnering uit Kirchers lichtelijk megalomane autobiografie – „een bron van vermaak”, volgens Andriessen – speelt een cruciale rol. Op de vlucht voor de protestanten zakte Kircher op de bevroren Rijn door het ijs. Hij werd toen door een engel van een wisse dood gered. Maar wás het wel een engel? vraagt het diabolische jongetje in Theatre of the World.

Samen met dat eigenaardige jochie en paus Innocentius XI maakt Kircher een waanzinnige reis door tijd en ruimte, langs allerlei plaatsen die hij bestudeerd (maar nooit bezocht) heeft, zoals Babylon en China. Op de negen scènes volgt een epiloog, waarin tijdgenoten als de filosoof Leibniz – én Faust-auteur Goethe – terugblikken op Kirchers fantasieën en verdiensten.

Aanvankelijk was het libretto nogal een mannelijke aangelegenheid, met Kircher, het jongetje en de paus. „Eigenlijk zijn het alle drie jongetjes”, zegt Andriessen. En hij houdt juist van sterke vrouwenrollen, vaak vertolkt door de Italiaanse zangeres Cristina Zavalloni, want „die kan alles”.

Er kwam een vierde hoofdrol voor Sor Juana Inés de la Cruz (1651-1695), een mystica en dichteres die leefde in wat tegenwoordig Mexico heet en die daadwerkelijk met Kircher gecorrespondeerd schijnt te hebben. Zo krijgt de celibataire Kircher postuum nog een warmbloedige minnares, al staat Sor Juana buiten de handeling, waarop ze in haar aria’s reflecteert.

Dame in een witte soepjurk

Andriessens vorige opera, La Commedia, werd in 2011 bekroond met de Grawemeyer Award – zeg maar de Nobelprijs voor muziek. En toch had hij zelfs als kind al een ambigue houding ten opzichte van het genre. Hij herinnert zich een opera van zijn vader op een libretto van de dichter Jan Engelman. „Dan hing daar een dame in een witte soepjurk gehuld tegen een kartonnen Griekse zuil – dat zag er toch eigenlijk niet uit, vond ik. En toen was ik elf.”

In de jaren zestig componeerde Andriessen veel voor theatergroepen als Baal, met acteurs die konden spelen én zingen. „Daar heb ik enorm veel van geleerd. Wat ik nu doe is eigenlijk Baal, maar dan in het groot”, zegt hij. „De brechtiaanse insteek van die theatergroepjes was helemaal naar mijn hart. Namelijk: altijd laten zien dat je speelt. Dat is numero één. Tegenwoordig moet het allemaal net echt zijn. Het moet juist níét net echt zijn, dat is helemaal verkeerd! Ik begrijp niet dat niet iedereen dat begrijpt.”

Andriessen verklaart zich nader: „Onze verbeeldingskracht stimuleren is het enige wat we te doen hebben. De rest is tobben. Naar de bakker gaan. Daar ga je toch niet meteen een opera over maken.”

In operaland gelden Andriessens ideeën niettemin als licht idiosyncratisch, dus zijn er dingen waarmee hij altijd moet vechten. Zoals vibratoloos zingen – die galmende diva’s en divo’s vindt hij maar niks. „En het feit dat ik nooit wat kan verstaan. Bij die acteurs kan ik altijd alles verstaan! Heel wonderlijk. Hetzelfde geldt voor jazz- en popzangers.”

Theatre of the World is een coproductie van De Nationale Opera en het Holland Festival met de Los Angeles Philharmonic. Hoewel dat een reusachtig symfonieorkest is, componeerde Andriessen de partituur voor een relatief kleine bezetting, zodat de muziek in Nederland kan worden gespeeld door Asko|Schönberg, zijn „eigen bandje”, met kameraad Reinbert de Leeuw aan het roer.

Zo’n symfonieorkest vindt Andriessen sowieso een „saaie bezetting”. En de recente ervaring met zijn jubileumcompositie Mysteriën voor het Concertgebouworkest, zijn eerste orkestwerk sinds de jaren zestig, was „erg moeilijk”. Aan het stuk heeft het niet gelegen, daar staat Andriessen nog steeds vierkant achter, en inmiddels zijn er ook meerdere goede uitvoeringen geweest, in de VS, en door Jurjen Hempel in Groningen. Orkestmusici hebben nogal eens de neiging dingen te mooi te willen spelen. Andriessen: „Lange achtsten! Lange kwarten! Dat loop ik altijd te brullen. Maar bij Asko|Schönberg hoeft dat niet, die weten dat. Geen pom-póm, maar GHA-GHA.”

    • Joep Stapel