Een cynische Oranjevorst

Het dynastieke, machtspolitieke, religieuze en internationale conflict – de Glorious Revolution van 1688/89 – kende één held: een Nederlandse roofkoning, King Billy.

Willem III, koning van Engeland, Schotland en Ierland, in 1688 geportretteerd door Jan Wyck. Beeld DEA/G. Nimatallah

In 1688 stak stadhouder Willem III op uitnodiging van de Engelse protestantse oppositie met een vloot de Noordzee over om zijn oom en schoonvader, de tot het katholicisme bekeerde en naar absolutisme neigende James II, van de troon te verdrijven. Hij slaagde in zijn opzet zonder een noemenswaardig aantal slachtoffers. Een jaar later werden Willem en zijn vrouw Mary Stuart koning en koningin van Engeland, Schotland en Ierland onder erkenning, in de Bill of Rights, van de rechten van het parlement. Een Akte van Tolerantie, ook uit 1689, gaf de dissenters – de niet-anglicaanse protestanten – vrijheid van godsdienst.

Vanwege deze Glorious Revolution is Willem III (1650-1702) de belangrijkste staatsman die Nederland heeft voortgebracht, zo stelt Machiel Bosman in zijn boek De roofkoning. Prins Willem III en de invasie van Engeland. Beginnend in 1660, bij het herstel van de Engelse monarchie na het einde van Cromwells puriteinse schrikbewind, behandelt het in kort bestek de aanloop naar deze omwenteling. Nieuw is deze geschiedenis niet. Wat het boek bijzonder maakt, is de aanpak. Bosman heeft ervoor gekozen het verhaal te vertellen vanuit het perspectief van de hoofdrolspelers. Zijn ontzagwekkende kennis van het bronnenmateriaal stelt hem in staat om de vele protagonisten sprekend en denkend op te voeren, in directe dan wel in indirecte rede.

Achter de hierboven samengevatte omwenteling gaat een buitengewoon spannende geschiedenis schuil, waarin – tegen de achtergrond van een hegemoniestrijd tussen Engeland, de Republiek en Frankrijk – akelig veel religieus geweld, intrige, verraad, bluf en dynastieke twist om voorrang strijden en bizarre details als een echt dan wel onecht koningskind, een zoekgeraakt kistje vol belangrijke papieren en papenhaat predikende dominees het plot kruiden.

Verbeeldingsvol

Precies daarin ligt ook het eerste probleem van De roofkoning. Ofschoon verbeeldingsvol geschreven en knap geconstrueerd is het boek met nog geen tweehonderd pagina’s netto tekst zó beknopt en wordt het verhaal uit zó veel verschillende perspectieven verteld, dat het enkel te volgen is voor de zeer aandachtige lezer die bereid moet zijn van tijd tot tijd historische naslagwerken uit de kast te trekken. Bosmans vertelling begint letterlijk in het bed van de Engelse koningin die, de ‘benen gespreid’ en omgeven door tientallen getuigen, bevalt van een, volgens de officiële verklaringen, mannelijke troonopvolger. Wanneer deze geboorte plaatsheeft, lezen we vijf pagina’s verderop; voor we de naam van de ongelukkige vrouw kennen zijn we ruim dertig pagina’s verder; en de portee van de gebeurtenis kennen we aan het einde van het boek. Inderdaad, het zijn literaire middelen en technieken van de moderne roman. Niet alles hoeft direct duidelijk te zijn, al zou de noodzaak terug te bladeren bij voorkeur tot een minimum beperkt moeten blijven.

Een tweede probleem is de stijl. Zinnen als ‘Hij drijft, als hij een spits ontwaart, de zaken er pats-boem bovenop’ en leesaanwijzingen als ‘Is dit spannend? Reken maar’ hadden toch vermeden kunnen worden.

Ook inhoudelijk zijn er kanttekeningen te plaatsen. Moet de geschiedenis van de Glorious Revolution nog steeds onbekommerd worden opgediend als een succesverhaal voor Oranje en de vrijheid – politiek en religieus – van de Engelse natie? James II heet expliciet ‘de kwade genius in dit verhaal’. Stadhouder Willem III wordt, zoals gezegd, vanwege zijn verdiensten voor Engeland gevierd als de grootste staatsman van Nederlandse bodem, terwijl we ook leren dat deze Oranjevorst in cynisme, machtswellust en vermogen tot intrige nauwelijks onderdeed voor zijn machtige tegenstander Lodewijk XIV. Al wordt hij dan tot ‘roofkoning’ bestempeld, een beoordeling met meer aandacht voor de wijze waarop Willem III na het rampjaar 1672 in de Republiek de macht naar zich toe trok en voor het ‘hoofdpijndossier’ Ierland was op zijn plaats geweest.

Problematischer nog aan de analyse is het gebruik van het woord volk. Voorzover dat niet de verzamelde onderdanen zijn, een staatsrechtelijke abstractie is of een romantisch ideaal belichaamt, bestaat het niet, althans niet als eenheid. Natuurlijk, er werd en wordt voortdurend met ‘het volk’ geschermd, in Bosmans verhaal nog het meest door schaamteloos politiserende predikanten en parlementsleden, volksmenners die hun gelovigen of achterban voor de eigen kar spannen en opponenten bedreigen met een ontketende volkswoede.

Demoniseren

We lezen over het ‘demoniseren’ van tegenstanders en over de onmogelijkheid ‘de boel bij elkaar te houden’. Maar een mededeling als ‘het Engelse volk waant zich bedrogen’ gaat voorbij aan het gegeven dat dit ‘volk’ bepaald geen eenheid was, integendeel. Opgesplitst in partijen, facties en geloofsgemeenschappen, en gebonden aan regio, stand of klasse was het object en subject in een ondoorzichtige kluwen van conflicterende belangen, in een machtsstrijd waarin geen middel werd geschuwd. Meer ruimte en distantie hadden De roofkoning tot een prachtig boek kunnen maken.

    • Jeroen Koch