‘De deur naar de poëzie is dicht’

De Indiase dichter en ex-verslaafde pikt de dealers er nog zo uit in het centrum van Rotterdam

Als de Indiase dichter Jeet Thayil (1959) door Rotterdam of welke andere stad ook ter wereld loopt, ziet hij binnen een paar tellen wie op zoek is en wie verkoopt. Een paar dagen geleden was hij nog in Kopenhagen. Hij zag twee jongens op een straathoek staan, vol energie – de drugs waren net ‘ingekickt’. Hij weet precies welke drug: heroïne. „Ik zag het aan de ingesloten blik. Als ik even bij ze was gaan hangen, had ik ook wat gekregen, maar dat doe ik niet. De gedachte op zich troost me.”

Het verlangen naar drugs verdwijnt nooit. Zo blijkt ook uit ‘De Heroïnesestina’, dat samen met een aantal andere gedichten van Thayil voor Poetry International Rotterdam uit het Engels, Thayils moedertaal, werd vertaald door Jabik Veenbaas: ‘[...] de warme heroïne-/drip, de hit, de rush, de whack, de stone./Je wilt het nu, zoals het je opvreet,/alles platslaat wat je weet//tot een smalle witte streep.’

Je zult Thayil niet snel associëren met een wereld van gehavende junks en gore bordelen. In de lobby van het Bilderberg Parkhotel is de rustige, welbespraakte, goed geklede Indiër – strak in het pak, bril met hip montuur – geen vreemde eend in de bijt. Hij oogt in de eerste plaats als een succesvol auteur. Naast zijn werkzaamheden als journalist (om zijn verslaving te bekostigen), begaf hij zich echter als gebruiker ruim twintig jaar regelmatig tussen het schuim der aarde.

Zijn roman Narcopolis, een portret van de wereld van prostituees, pooiers en drugsverslaafden in het Bombay van de jaren zeventig haalde de shortlist van de Booker Prize 2012 en hij won er onder meer de DSC Prize for South Asian Literature 2013 mee.

Thayil groeide op in Hongkong, studeerde in New York, raakte verslaafd aan opium en andere geestverruimende middelen in Bombay, kickte twaalf jaar geleden af en woont nu in New Delhi – ‘de lelijkste, meest ongeciviliseerde, ongeletterde, onbehouwen stad ter wereld’. Hij voelt zich Indiër, „maar als ik India verlaat, ben ik een wereldburger”.

Door critici wordt zijn werk ‘on-Indiaas’ genoemd, vanwege het autobiografische karakter. Zo veel openhartigheid is niet gebruikelijk voor dichters van Indiase komaf. De persoonlijke gedichten over de donkerste perioden in zijn leven draagt Thayil liever niet voor. Hij moest dus even slikken toen hij zag welke gedichten hij volgens afspraak vanavond en morgen zal voordragen tijdens Poetry International. „Ik dacht: O mijn God, heb ik deze gedichten echt zelf uitgekozen?” Normaliter staat hij alleen op het podium met gedichten die een „hoog entertainmentgehalte” hebben, omdat hij niet te kwetsbaar wil zijn.

Zijn overleden vrouw

Zijn werk is doordrenkt van liefde, dood, drugs, religie, verlangen en wanhoop. Tussen 1992 en 2008 schreef hij vier dichtbundels, die vorig jaar samen met wat losse gedichten door een Indiase uitgever werden verzameld in Collected Poems. Wat hem betreft is dat direct zijn laatste publicatie, omdat hij gelooft dat hij zijn laatste bundel These errors are correct (2008) ter nagedachtenis aan zijn vrouw die in 2007 op 27-jarige leeftijd overleed, kan overtreffen noch evenaren. Hoe hij dat zo zeker weet? „Ik heb de deur naar de poëzie dichtgedaan”, zegt hij stellig. Hij rondde een paar dagen geleden zijn nieuwe roman af, want „de deur naar het proza staat nog wel open”. Is hij nog wel een dichter? „Ik denk het wel”, zegt hij. Even later: „Ik hoop het”.

Toch dringt zich af en toe nog een gedicht op. Vorig jaar schreef hij bijvoorbeeld het weergaloze ‘Intentieverklaring’: ‘Je lippen gaan in één zucht van zonnetje naar zelfmoord [..]’ Om te besluiten met: ‘En God ademde uit./En de wereld was alle geloof verloren.’ Thayil: „Ik had me voorgenomen om een gedicht te schrijven zonder vorm of structuur, een gedicht dat uitrekt als een elastiek; soms een korte, dan weer een heel lange dichtregel. Een paar dagen lang liep ik rond met een verwachtingsvol gevoel. En toen kwam het: de regels vielen voor me op het papier. Het was direct af. Het is een liefdesgedicht, een lofzang.”

Troost?

Het verdriet om de dood van zijn vrouw, is de motor om te blijven schrijven. „Als ik niet schrijf, ben ik niemand.” Het is een manier om zich te definiëren. Hij weet nog steeds niet waarom hij aan de drugs verslaafd raakte. Waarom had hij zoveel troost nodig?

Hij haalt zijn schouders op: „Ik heb geen slechte jeugd gehad, ik heb lieve ouders, ik kom uit een bemiddeld gezin. Misschien vind ik schrijvende het antwoord, zodat ik het onderwerp een keer kan laten rusten.”

In zijn (onvertaalde) gedicht ‘Self-Portrait’ schrijft Thayil: ‘Unhappiness is a kind of yoga, he tells himself/ each morning, a breath meditation; besides,/do you want to be happy or do you want to write?’ Nou? Hij geeft een veel betekende blik.

    • Dieuwertje Mertens