Gewonde bij schietpartij voor huis waar eerder granaat ontplofte

Bij een schietpartij in de Amsterdamse Rivierenbuurt is donderdagochtend een jonge vrouw gewond geraakt. Ze werd neergeschoten voor een huis waar vorige maand nog een handgranaat in het portiek ontplofte. In de twee woningen, met een en dezelfde portiek, wonen volgens buren leden van één familie met een Marokkaanse achtergrond.

Burgemeester Van der Laan zei donderdagmiddag tegen de gemeenteraad dat het erop lijkt dat het gaat om „een gerichte actie tegen de vrouw”. Veel details gaf hij niet. Het ligt niet voor de hand dat de gezinnen uit de woningen worden gezet, zei hij op vragen van een raadslid, naar analogie van de gang van zaken bij de horeca. Als daar een schietpartij plaatsvindt, wordt de zaak gesloten en dichtgetimmerd. „Er zijn ook drie kinderen in het geding”, aldus Van der Laan. Hij beloofde persoonlijk met buurtbewoners te zullen spreken „als daar behoefte aan is”.

Twee uur na de schietpartij liepen buurtbewoners ontspannen over het plein voor de woningen. Schoolkinderen van het om de hoek gelegen Berlagecollege stonden naar het forensisch team van de politie te staren. Op het plein werd gevoetbald. Een buurtbewoner die met een ingepakte spade in de hand naar huis liep, zei dat de zonen van het gezin „af en toe” in de gevangenis zaten. „Maar de vader groet mij altijd vriendelijk.”

Buren Ruben Verhagen en Laura Savelkoul werden rond half negen wakker van het geluid van vier schoten en gegil. „Maar we hebben niets gezien.” De gezinnen, waarover volgens lokale media regelmatig wordt geklaagd, zijn volgens hen „heel vriendelijk”. Ze staan vaak op de stoep, maar „dat is de cultuur hè”.

De bovenbuurman van de gezinnen, die zijn naam niet wilde noemen, vindt zijn buren „asociaal”. Volgens hem „hangen ze altijd op de stoep, schreeuwen ze, ruimen ze nooit hun troep op en wordt er voor het portiek drugs gedeald”.

Deze buurman vindt het „niet altijd een pretje deze mensen in het portiek te passeren. Ze zijn niet agressief, maar wel hinderlijk.”

    • Bas Blokker