VN: misdaden tegen de menselijkheid in Eritrea

Interview Een VN-onderzoekscommissie presenteerde haar rapport woensdag: het regime-Afewerki valt al jaren het eigen Eritrese volk aan, een zaak dus voor het Internationale Strafhof.

Eritrese vluchteling bij tijdelijk vluchtelingenkamp in Oost-Soedan, bij Kassala, in oktober 2015. Foto ASHRAF SHAZLY/AFP

Niet zomaar mensenrechtenschendingen, maar misdaden tegen de menselijkheid. Het oordeel dat onderzoekers van de Verenigde Naties woensdag presenteerden over de situatie in Eritrea liet niets aan duidelijkheid te wensen over: sinds de onafhankelijkheid van Ethiopië in 1991 heeft het regime van president Afewerki systematisch en wijdverspreid zijn eigen bevolking aangevallen. De zaak moet worden doorverwezen naar het Internationale Strafhof in Den Haag, vinden de onderzoekers.

Een jaar geleden al stelde de VN-onderzoekscommissie in Genève vast dat de mensenrechten in Eritrea op grote schaal worden geschonden. Nu concludeert zij dat dit zo systematisch gebeurt dat sprake is van de overtreffende trap, misdaden tegen de menselijkheid. Onder de verantwoordelijken zijn functionarissen op de hoogste niveaus van de staat, regeringspartij PFDJ en het leger.

De lijst van misdaden is lang. De dienstplicht loopt voor veel Eritreeërs uit op jarenlange slavernij. Zij worden onder slechte omstandigheden vastgehouden in afgelegen militaire kampen, waar ze dwangarbeid verrichten op het land of in de bouw, soms ook voor privébedrijven van hoge militairen.

Er wordt gemarteld, verkracht en gemoord in gevangenissen en militaire opleidingscentra. Er is sprake van etnische en religieuze vervolging, willekeurige detentie en gedwongen verdwijningen. Burgers worden gestraft voor de vermeende misdaden van hun familieleden. Dit alles om angst te zaaien en zo het regime in stand te houden.

Elk hulp- programma, vooral dat van de EU, moet sterke nadruk leggen op rechten van de mens

Eritrea is een klein land in de Hoorn van Afrika (6,5 miljoen inwoners) dat de Europese Unie grote hoofdbrekens bezorgt. Inwoners die het land weten te ontvluchten, vormen een van de grootste groepen die de Middellandse Zee proberen over te steken. Vorig jaar vroegen 47.000 Eritreeërs asiel aan in de Europa. Ook in de diaspora blijft het regime druk op hen uitoefenen. Zo is elke Eritreeër in het buitenland verplicht om 2 procent van zijn inkomen af te dragen aan het moederland.

Toch wil Europa op goede voet blijven staan met Asmara. Dit voorjaar zegde de EU een omstreden hulppakket van 200 miljoen euro toe, vooral voor investeringen in infrastructuur. Een achterliggend doel is het tegengaan van de migratie.

Volgens het Eritrese regime maakt het land grote vorderingen, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg en het onderwijs. De conclusies van de commissie wees het op voorhand af, omdat die politiek gemotiveerd zouden zijn. De onderzoekers kregen dan ook geen toegang tot het land. In plaats daarvan spraken zij met ruim 800 Eritreeërs in het buitenland, en vroegen zij Eritreeërs om schriftelijke bijdragen in te sturen.

Die kwamen er, bijna 45.000 stuks, waarvan slechts acht uit Eritrea. „Bijna allemaal waren ze kritisch op het onderzoek en onderdeel van een tegen ons gerichte campagne”, zegt de Australische commissievoorzitter Mike Smith per telefoon uit Genève. NRC schreef eerder dit jaar hoe Nederlandse Eritreeërs zich onder druk voelden gezet om petities te tekenen waarin ze de commissie veroordeelden. Smith: „Zo zit Eritrea nu eenmaal in elkaar.”

Heeft u onderzocht hoe wijdverspreid die druk om te tekenen werd uitgeoefend?

„Dat was te moeilijk. We weten dat de druk het hoogst was in landen waar Eritreeërs geen asielzoekers zijn, maar gastarbeiders. Daar moeten ze geregeld hun paspoort vernieuwen om een werkvergunning te krijgen. Zonder handtekening geeft het consulaat dan geen paspoort. In het Verenigd Koninkrijk of Nederland is het anders. In dat soort landen spraken we mensen die niet wisten hoe hun naam op de lijst komt. Dat is geen afpersing, wel bedrog.”

Behalve het Strafhof noemt u ook de mogelijkheid van een regionaal proces. Heeft u een voorkeur?

„Nee. Beide zijn heel goed mogelijk. Een regionaal proces zou de vorm kunnen hebben als dat van Hissène Habré, de voormalige dictator van Tsjaad, die onlangs door een buitengewone kamer van het hof in Senegal is veroordeeld.”

Heeft u toestemming van de getuigen om hun verklaringen aan een rechtbank te geven?

„Dat is nog niet aan de orde. Alle verklaringen zijn zorgvuldig opgeborgen in een beveiligde database bij de Hoge Commissaris voor Mensenrechten. Voordat we die aan iemand kunnen doorgeven, hebben we de toestemming van de getuigen nodig. In ons rapport vind je geen namen. Daar zijn we heel voorzichtig mee.”

U bent een voorstander van donorhulp aan Eritrea, maar wat zegt u tegen critici die vinden dat zo’n totalitair regime geen steun verdient?

„Hulp kan helpen om het regime uit zijn isolement te halen. Hoe meer contact met de internationale gemeenschap, hoe beter het zich zal aanpassen aan de realiteit van 2016. Dat neemt niet weg dat elk hulpprogramma, vooral dat van de EU, een sterke nadruk moet leggen op mensenrechten. Het is niet goed genoeg om geld te steken in infrastructuur als het de kans voor mensen om zelf over hun leven te beschikken niet verbetert.”

    • Hanneke Chin-A-Fo