Recensie

Sprookjesfiguren zijn ze, tot de zon opkomt

In de Franse film is het bijna een eigen genre: de film over het theater. Het is alsof het theater een nog betere arena is om een spel te spelen met de vele realiteiten die zich in onze werkelijkheid kunnen verstoppen dan het meer Amerikaanse film-over-filmgenre. Van de onweerstaanbare klassieker Les enfants du paradis tot meer recentelijk Tournée van Mathieu Amalric gaat er een grote aantrekkingskracht uit van de grote theatraal uitgespeelde emotie die de kleine pijn moet verhullen.

In Les ogres is de helft van wat we te zien krijgen over het rondreizende theatergezelschap Le davaï semiautobiografisch gekleurd. Regisseur Léa Fehner groeide zelf op in de coulissen van dorpshuizen en provincietheatertjes, en ze castte haar vader François als de vlagvoerder van het ensemble. Ook haar zus en moeder zijn te zien. Een echt verhaal is er niet, al zijn er parallellen te trekken met de komische eenakter De beer van Tsjechov die deze ‘ogers’, deze theatermonsters zoals Fehner ze noemt, op hun repertoire hebben. De beer gaat over de liefde, maar vooral over stijfhoofdigheid. Waardoor de liefde voor je het weet aan je voorbijgaat.

De verschillende relaties in de troupe komen op scherp te staan als na een ongeluk de Spaanse actrice Lola tijdelijk terugkomt, die, omdat ze kortstondig een relatie met François had, de modder van het verleden omwoelt.

Echte magie ontstaat in de scènes waarin de theaterkinderen als de volwassenen nog slapen in het kamp ronddolen, zich verkleden, spelen; sprookjesfiguren die verdwijnen als de zon opkomt.

    • Dana Linssen