‘Ik wil de beste snapshots maken die er bestaan’

Tijdens zijn vele omzwervingen door Amerika legde fotograaf Stephen Shore het alledaagse leven vast in snapshots. De pionier van de kleurenfotografie wordt nu geëerd met een retrospectief in Huis Marseille.

'Federal Highway 97 south of Klamath Falls, Oregon, 21 july 1973' foto’s Stephen Shore. Courtesy 303 Gallery, New York

Ze zijn er nog steeds, langs de eenzame highways in Amerikaanse staten als Utah, Wisconsin of Idaho. Shabby motels met bloemetjesspreien op de queensize bedden en ingelijste legpuzzels aan de schrootjeswanden. Diners waar de stapels pannenkoekjes worden geserveerd op formica tafels met papieren placemats waarop cowboys en indianen staan afgebeeld, of bijbelse psalmen.

De Amerikaanse fotograaf Stephen Shore (New York, 1947) legde ze vast in zijn legendarische series American Surfaces (1972-1973) en Uncommon Places (1973-1981). Toen al zagen de roadside motels en restaurants, veelal gebouwd in de jaren veertig en vijftig, er gedateerd uit. Wie de foto’s nu bekijkt, op Shores overzichtstentoonstelling in Huis Marseille, herkent de plekken direct. Dit zijn de stadjes waar films van David Lynch of de Coen Brothers zich zouden kunnen afspelen. Dit is de vergane glorie van smalltown Amerika.

Toen Shore ze begon vast te leggen, tijdens zijn zwerftochten door Amerika, werd fotografie nog maar nauwelijks gezien als kunstvorm. En kiekjes in kleur, zoals Shore ze maakte met zijn Rollei 35mm-camera, waren al helemaal not done. Kleur was vulgair. Echte foto’s, die van Paul Strand en Walker Evans bijvoorbeeld, waren zwart-wit. Shore liet zijn roadtripfoto’s gewoon afdrukken door Kodak, op klein formaat. Hij wilde snapshots maken die „volkomen authentiek” waren. ‘Snapshotness’, zo noemde Shore de stijl waarnaar hij op zoek was. Het is een spontane manier van werken die je later terugzag bij Martin Parr, Wolfgang Tillmans en Nan Goldin – fotografen die duidelijk schatplichtig zijn aan Shores pionierswerk.

„Snapshots hebben natuurlijk hun eigen beeldconventies”, zegt Stephen Shore, aan de telefoon vanuit zijn New Yorkse studio. „Ik heb altijd geprobeerd de beste snapshots te maken die er bestaan. Soms legt iemand namelijk iets vast in een snapshot wat heel direct en raak is. Ik zie dat ook gebeuren op ansichtkaarten. Dan heeft de fotograaf van zo’n ansicht het mandaat om te tonen hoe bijvoorbeeld een hoofdstraat in een klein dorp eruitziet, of hoe een motel eruitziet. Zo’n fotograaf is niet bezig met kunst maken. Daardoor hebben ansichtkaarten vaak diezelfde kwaliteit van directheid.”

In Huis Marseille is een vroege serie te zien, Greetings From Amarillo (1971), die je een ode aan de ansichtkaart zou kunnen noemen. Tegen de strakblauwe Texaanse lucht legde Shore de belangrijkste gebouwen van Amarillo vast: de bank, het ziekenhuis, het gerechtsgebouw, Doug’s Bar BQ. De beelden hebben iets aandoenlijks, omdat de gebouwen niet bepaald van toeristisch belang zijn, maar nu toch maar mooi worden uitgelicht.

Shore: „Een andere serie uit die tijd heette Mick-O-Matics, waarvoor ik een plastic camera gebruikte in de vorm van het hoofd van Mickey Mouse. Die twee series leidden uiteindelijk tot American Surfaces. Ik wilde met die kleurensnapshots doorgaan, maar dan wel met een betere camera. Om mezelf te trainen in het kijken heb ik een tijdlang op bijna ieder moment van de dag een soort ‘screenshot’ gemaakt van mijn blikveld. Dan was ik me heel bewust van wat ik zag en vroeg ik me af: als ik een foto zou maken van wat ik nu beleef, hoe zou die er dan uitzien? Dat werd het model van hoe ik wilde fotograferen: naturel. Ik wilde foto’s maken die voelden als kijken.”

American Surfaces bestaat uit tientallen kleinbeeldfoto’s die samen een intiem inkijkje geven van ‘life on the road’. Een beeldend dagboek is het, met foto’s van de maaltijden die hij at, de bedden waarin hij sliep, de mensen die hij tegenkwam. ‘Vernacular photography’ wordt die manier van werken wel genoemd: foto’s die de schoonheid van het alledaagse leven tonen en die eruitzien alsof je ze zelf, als amateur, ook gemaakt zou kunnen hebben. Wie langs Shores beelden in Huis Marseille loopt, ziet geen architectonische hoogtepunten of spectaculaire landschappen. Die toeristische blik probeert hij zoveel mogelijk te vermijden. Hij heeft oog voor de ‘nonplekken’: de anonieme parkeerplaatsen en de achterafsteegjes. De gebouwen die zijn neergezet zonder dat er een welstandscommissie aan te pas is gekomen.

Hij vertelt dat hij zichzelf een vreemdeling voelde in zijn eigen land, een ontdekkingsreiziger. „Ik kleedde me ook zo, in overalls en outdoor kleding. Ik woonde in New York, en afgezien van wat kustplaatsen had ik nog niets van Amerika gezien. Vanuit New York keek je toch meer richting het oosten, naar Europa, dan naar het Amerikaanse westen. In die zin voelde ik me verwant met fotografen als Henri Cartier-Bresson en Robert Frank en met schrijvers als Jack Kerouac en Vladimir Nabokov, die in de late jaren veertig ook roadtrips maakten door Amerika. Wat al die mannen gemeen hadden, was dat ze vreemdelingen waren. Ze bekeken Amerika met de ogen van de buitenstaander.”

Genadeloos licht

Kenmerkend voor de foto’s uit die beginjaren zijn de felle kleuren en de harde schaduwen. Neonreclames die fel afsteken tegen blauwe luchten, zwembadwater dat pijn doet aan je ogen. „Voor mij was het Amerikaanse westen echt exotisch”, zegt Shore. „De immense ruimte die je er had, het genadeloze licht. Het was de tijd dat aan de rand van ieder stadje een commerciële strip werd aangelegd. De eerste restaurants van McDonald’s gingen open. Langs de weg stonden borden met hoeveel hamburgers er die dag verkocht waren. Ik was gefascineerd door het landschap en de autocultuur, maar vooral ook door de mensen en hoe die met elkaar omgingen. Het ritme van het leven. Er werd veel meer rondgehangen op straat dan in New York, waar iedereen altijd maar druk was.”

Een van de mooiste foto’s op de tentoonstelling toont een billboard langs de US 97 in Oregon, met daarop een besneeuwde bergtop. Voorgrond en achtergrond lopen bijna naadloos in elkaar over, al is de echte lucht vele malen dramatischer dan de reproductie op het billboard. „Die foto is nog steeds heel populair. Voor mij was dat beeld haast té voor de hand liggend. Maar iedereen reed er gewoon ongezien langs. Mijn oog valt blijkbaar juist op de dingen waar anderen aan voorbij lopen. Ik heb ook een foto van een doodgewone schemerlamp in een motelkamer. Dat is geen onderwerp dat roept om een foto. Maar ik zag daarin de schoonheid van de alledaagse wereld.”

Factory als leerschool

De ambitie om fotograaf te worden, had Shore al op jonge leeftijd. Hij was zes toen hij zijn eerste fotorolletjes ontwikkelde en veertien toen hij de fotografieconservator van het MoMA – fotograaf Edward Steichen – benaderde of hij zijn portfolio kon komen laten zien. Dat leidde meteen tot de aankoop van drie van zijn afdrukken. Op zijn 23ste had Shore zijn eerste tentoonstelling in het Metropolitan Museum. Hij was pas de tweede levende fotograaf die dat was gelukt.

En dat voor een fotograaf die nooit een opleiding had genoten. Zijn leerschool, vertelt Shore, was Andy Warhols atelier The Factory in New York, waar hij tussen 1965 en 1967 bijna dagelijks rondhing en waar hij assisteerde bij de filmproducties. „Mijn leeftijdgenoten gingen naar de universiteit, ik begon als lichttechnicus te werken in The Factory. Op dat moment had ik er natuurlijk geen benul van hoe die periode vijftig jaar later beschouwd zou worden als een gouden periode, de hoogtijdagen van de pop-art. Het is anders om er middenin te staan en het mee te maken. Die mensen waren mijn vrienden. Maar ik had wel door dat The Factory een spannende plek was, waar interessante dingen gebeurden.”

Als achttienjarige was Shore diep onder de indruk van Warhol. Hij bestudeerde de kunstenaar tijdens zijn werkzaamheden en praatte met hem over kunst. „Mensen denken bij The Factory altijd aan de feesten, en die waren er ook wel. Als Andy naar een cocktailparty of een opening ging, wist je dat hij iedereen meenam die op dat moment in The Factory rondhing. Er lagen altijd mensen op de bank te wachten tot ze mee konden. Maar Andy kwam ook iedere middag naar The Factory om te werken. En dan bekeek ik hem. Ik zag een kunstenaar die voortdurend esthetische beslissingen aan het nemen was, iedere dag weer. Ik leerde zoals een leerling-kunstenaar het vak zou leren, door in de nabijheid van een grote kunstenaar te verkeren.

„Wat ik van hem meekreeg, was het belang van de serie. En allebei hadden we een grote liefde voor de hedendaagse populaire cultuur. Waar hij en ik elkaar aanvoelden, was dat we die beiden van een zekere afstand bekeken. Warhol was een observator, zoals ik als fotograaf ook een observator ben.”

Een andere inspirator was de Amerikaanse kunstenaar Ed Ruscha, die eind jaren zestig fotografie gebruikte voor zijn conceptuele reeksen. „Vooral zijn boek Every building on the Sunset Strip (1966), waarin hij foto’s van alle gebouwen op Sunset Boulevard in Los Angeles aan elkaar had geplakt, maakte diepe indruk. Sinds die tijd ben ik gefascineerd door kunstenaarsboeken.”

Een verrassend onderdeel van de tentoonstelling is de serie ‘print-on-demand’-fotoboeken waarmee Shore in 2003 begonnen is: zelfgemaakte fotoboeken die steeds één dag in beeld brengen. Hij maakte er tot nu toe 83. Geen fotoboeken in hoge oplage, maar één uniek exemplaar. Shore: „Nu is het heel gemakkelijk geworden om je eigen fotoboeken te maken en te laten printen bij de plaatselijke drogisterij. Als je een fotoboek maakt, kun je natuurlijk kiezen voor 100 van je beste foto’s, dan maak je achteraf echt een overzicht. Maar je kunt ook een serie maken met het boek in je achterhoofd. Dat is wat ik gedaan heb. Ik ga eropuit met een idee in mijn hoofd, ’s avonds upload ik de foto’s en drie dagen later levert Fed-Ex een fotoboek bij me af.”

Nog steeds vindt Shore inspiratie in de meest eenvoudige dingen. „Ik fotografeer bijvoorbeeld veel in mijn tuin. Ik vind alle periodes mooi, ook het verval. Ik houd juist van de dorre periodes, wanneer de planten uitgedroogd zijn. Het zijn niet alleen de mooiste momenten van bloei die interessant zijn.”

    • Sandra Smallenburg