Herinneringen aan de witte sokkenact

Rock Vrijdag staan de Red Hot Chili Peppers voor de vierde keer op Pinkpop. In 1988 speelden ze er voor het eerst en maakten ze indruk met hun geheime wapen: de witte sportsok.

Foto Patricia Steur

Begin 1988 deden de Red Hot Chili Peppers, vier maniakale funkvrienden uit Hollywood, hun eerste buitenlandse tournee. Van de band waren inmiddels drie lp’s verschenen, maar van hits of succes was nog geen sprake. Met zijn vieren in een klein busje trokken ze die februarimaand door West-Europa. De omstandigheden waren moeizaam. In Zwitserland stonden ze met panne in de sneeuw, in Londen was gitarist Hillel Slovak te ziek om te spelen.

Toch zou 1988 een sleuteljaar blijken. Het jaar bracht de band zowel glorie als tragiek, en bevatte de kiem van alles waardoor de Red Hot Chili Peppers in de drie decennia erna konden uitgroeien tot de best verkopende (80 miljoen verkochte albums) en langst bestaande alternatieve rockband ooit. Dat juist deze band het zo lang zou volhouden, en dat ze morgen voor de vierde keer op Pinkpop staat, leek eind jaren tachtig niet waarschijnlijk. In het Peppers-kamp heerste, al sinds het ontstaan in 1983, een sfeer van chaos en verdeeldheid, over de muziek en de uitvoering ervan bijvoorbeeld.

Maar er was ook ambitie, vooral bij de oprichters, zanger Anthony Kiedis en bassist Michael ‘Flea’ Balzary. De groep had uit destijds populaire stromingen als punk en hiphop een eigen stijl gepeurd, waarbij Fleas stuiterende funkgrooves werden aangekleed met de hiphopwoordstromen van Kiedis en de Hendrix-riffs van Slovak. En ze hadden een geheim wapen: de witte sportsok.

De tournee liep via Scandinavië, Duitsland, Zwitserland naar België en eindigde in Nederland. Halverwege de reis kwam er een ‘auto vol Nederlandse mafkezen aanzetten’, schrijft Kiedis in zijn autobiografie Scar Tissue (2004). Het betrof een filmploeg van de VPRO, onder leiding van regisseur Bram van Splunteren, die de band een week kwam filmen voor het programma Onrust. Van Splunteren: „Zoiets hadden ze nooit meegemaakt. In hun eigen land werden er geen programma’s gemaakt over bands die nog geen hits hadden.” Van Splunteren zag ze een week lang iedere avond spelen. „Nooit eerder had ik een band gezien die zo uitbundig was als de Peppers. Buiten de concerten waren het lolbroeken, maar als het om muziek ging, waren ze volledig toegewijd.” Flea en Kiedis waren een ‘tweekoppig monster’. Onder het spelen sprongen ze rond, klommen op elkaars rug, rolden over het podium. Ieder avond weer.

Met Flea had hij ook serieuze gesprekken. „Hij was een beetje bezorgd of het ooit iets zou worden. Het doorbreken naar een groter publiek lukte maar niet. Hij vond de tournees en honderden optredens per jaar soms zwaar om vol te houden.”

Fallussymbool

In die tijd deden de Peppers bij concerten vaak de sokkenact: voor de toegift verschenen de muzikanten naakt, afgezien van een sok om hun geslacht, en speelden, al springend en stuiterend, een eigen versie van Jimi Hendrix’ Fire. Zoals Kiedis schrijft in Scar Tissue, gaf dit ‘vooruit priemende fallussymbool’ hem ‘extra kracht en energie’. Later, toen impresario’s de sokact in contracten wilden vastleggen, ging het opgelegde karakter ze tegenstaan, en werd de stunt afgeschaft.

De drie uitverkochte shows in Nederland werden georganiseerd door boeker Carlos van Hijfte, van Mojo, in de Effenaar (Eindhoven), Tivoli (Utrecht) en Paradiso (Amsterdam). Van Hijfte herinnert zich nog elke avond. „Vanwege de energie van de band, maar ook die van het publiek. Punkconcerten waren ook energiek, maar dit was vrolijker.”

Na afloop van een optreden bleek vooral Kiedis in trek bij het vrouwelijke publiek. „Kiedis was daar openhartig over, hij was altijd geïnteresseerd in meisjes ontmoeten”, zegt Van Hijfte. „En de aantrekkingskracht was wederzijds. Je had van die bands waar de opwinding onder de vrouwelijke aanwezigen plotseling toenam. Zoals bij de Peppers. Onze vriendinnen zagen we niet meer terug.”

Elke Nederlandse show werd afgesloten met de sokact. Niet iedereen was van de gewoonte op de hoogte. Bij het laatste optreden, in Paradiso, regelde geluidsvrouw Marie de Baat het monitorgeluid. „Paradiso was een chaos die avond, en stampvol”, zegt De Baat. „Berichten over de eerdere shows hadden de stad bereikt en iedereen wilde erbij zijn.” Zoals altijd wilde De Baat na het laatste nummer weten of er nog een toegift gespeeld zou worden. „Ik ging snel naar beneden om het te vragen. Daar knalde de deur van de kleedkamer open en kwamen ze naar buiten. Naakt met sok, op een rij. Ik was verbijsterd. Ik rende de trap op en riep door de intercom naar de technicus: ‘Dit ga je niet geloven. Hoe ze eruit zien!’ ”

Bevriend met Henk Schiffmacher

Op foto’s en filmopnamen uit die tijd valt op dat de huid van de vier muzikanten begin 1988 nog nagenoeg blanco was. Tot ze Henk Schiffmacher leerden kennen. Voor de Amsterdamse tatoeëerder en de band werd de ontmoeting, vlak voor het optreden in Paradiso, het begin van een lange vriendschap en meerdere tatoeëersessies. Schiffmacher: „Ik had over ze gehoord van een Amerikaanse vriend. Door de naam verwachtte ik een stel stoere rockers, maar daar stonden ineens vier kleine mannetjes over wie ik me meteen ontfermd heb en die na hun optreden op een rijtje bij ons thuis lagen te slapen om hotelkosten uit te sparen.”

Op de borst van drummer Jack Irons tatoeëerde hij een dolfijn, bij Kiedis een Indiaanse ‘dondervogel’, een Kwakiutl, over de hele breedte van zijn rug. „Vooral bij Anthony moest het een duidelijk plaatje zijn, zodat het publiek het ook op afstand kon onderscheiden.” Schiffmacher maakte de tatoeage in ruim vijf uur. „In één keer, ja. Dat moest. Ze speelden elke dag en Anthony kon moeilijk met een halve vogel het podium op.”

Fotografe Patricia Steur, destijds getrouwd met Schiffmacher, maakte portretten van de muzikanten. „Ze waren toch al bij ons thuis, dus ik haalde ze naar de studio. Voor de foto’s had ik wat rode pepers ingeslagen. Heel origineel, haha. Al gauw was het een dolle boel. Om me te shockeren kleedden ze zich uit, en deden de sokact. Ik ben niet zo snel van slag dus ik heb gewoon door gefotografeerd.”

In mei was de band terug in Nederland, voor Pinkpop. Ook toen kwamen ze bij Steur en Schiffmacher, voor meer tatoeages. „Ze logeerden weer bij ons en wij gingen mee naar Pinkpop”, zegt Steur. „We beschouwden elkaar als familie. Ik was dol op ze, ook als muzikanten. Ze waren zo gretig. Anthony is bijvoorbeeld niet echt een goeie zanger maar hij brengt het met zoveel ziel dat hij het publiek toch in de ban houdt.”

Een interview met de Red Hot Chili Peppers achter de schermen bij Pinkpop 1988

Overdosis

Na Pinkpop gaat de groep terug naar huis is Los Angeles. Op 25 juni overlijdt Hillel Slovak, op 26-jarige leeftijd, aan een overdosis heroïne. Het drugsgebruik van de bandleden was bij het publiek niet bekend, maar ook Kiedis gebruikt al sinds zijn elfde, toen zijn verslaafde vader hem zijn eerste dosis cocaïne gaf. Vooral tussen tournees dompelde hij zich onder in een drugsroes, blijkt uit Scar Tissue. De dood van Slovak is zo’n schok voor drummer Jack Irons dat hij uit de band stapt. Toen waren er nog maar twee Peppers over.

„Ik was stomverbaasd, ik had niets gemerkt van drugsgebruik”, zegt Bram van Splunteren. „Na de dood van Hillel heb ik nooit gedacht dat ze zouden stoppen. Waarom zouden ze? Flea en Anthony waren veel te ambitieus.”

En inderdaad, in augustus 1989 stond de band alweer op de Dam in Amsterdam voor een gratis concert, waar Kiedis in korte rok en motorlaarzen over het podium zwierde, en de destijds 19-jarige gitarist John Frusciante een van zijn eerste optredens gaf. Chad Smith was de nieuwe drummer. In deze nieuwe constellatie bleek plotseling sprake van muzikale alchemie. De beter gedoseerde mengvorm van rock, funk en hiphop leidde al snel tot hits en grote publieke bijval. Vooral de cd Blood Sugar Sex Magik, uit 1991, waarvoor Henk Schiffmacher de hoes ontwierp, zou populair worden. De langverwachte doorbraak was een feit.

Maar drama bleef de band omgeven. De jonge Frusciante, de bevlogen architect van de Peppers-sound, was niet bestand tegen de druk van wereldtournees en massa-adoratie, en raakte verslaafd. Middenin een Japanse tournee, in 1992, stapte hij uit de band.

Eind jaren 90 zou Frusciante afkicken en terugkeren. Opnieuw bleek de samenwerking vruchtbaar. Dubbel-cd Stadium Arcadium (2006) met daarop hits als Dani California en Snow (Hey Oh), werd hun eerste nummer-1 van de Amerikaanse cd-lijst. Ook Anthony Kiedis bleef al die jaren gevoelig voor verslaving, volgens een vast patroon: op tournee hield hij het onder controle, eenmaal thuis verloor hij zich in langdurige drugssessies. Waarna een al dan niet – door Flea – gedwongen verblijf in een kliniek hem weer oplapte voor een volgende plaatopname of tournee.

Frusciante vertrekt in 2009 opnieuw uit de band, om zich aan elektronisch solowerk te wijden. Hij wordt opgevolgd door gitarist Josh Klinkhoffer, die op eerdere tournees al meespeelde. Chad Smith is nog altijd de drummer, Flea en Kiedis zijn samen het ‘tweekoppige monster’. Volgende week verschijnt hun elfde album, The Getaway.

Henk Schiffmacher tatoeëerde onlangs nog een kindertekening op een overgebleven stukje huid van Flea. Schiffmacher: „Het is alsof ik hun vader ben, of inmiddels eerder opa. Ik voel me onderdeel van hun wereld. Misschien misplaatst, maar als ik ze zie ben ik nog altijd trots.”

    • Hester Carvalho