De Martijn van Dam van het boksen

Muhammad Ali, schreef De Telegraaf deze week in een in memoriam, „was de Johan Cruijff van het boksen”. Je hoeft niet per se te wachten tot iemand dood is om zo’n vergelijking – A is de B van het C – te horen maken, want als je erop let duikt hij overal op. Was er bijvoorbeeld niet ook een Muhammad Ali van het voetbal? Dat blijkt inderdaad het geval; onder andere Ronaldo, Rinat Dasajev en Zlatan Ibrahimovic werden de afgelopen jaren door Nederlandse kranten met die eretitel bedacht.

Wie is er allemaal precies de wie van het wat? De stijlfiguur is de laatste jaren populair geworden in de voetbalverslaggeving. Zo was Clarence Seedorf de Herman van Veen, Louis van Gaal de Geert Wilders, bestuurder Henk Kessler de Jan-Peter Balkenende en Diego Maradonna de André Hazes van het voetbal. Johan Cruijff werd bij zijn overlijden behalve met Herman van Veen met alle genoemde personen vergeleken. En verder was hij in de herdenkingsartikelen onder meer de Rembrandt, de Van Gogh, de Mozart, de Michael Jackson, de James Dean, de Pim Fortuyn, de Eddy Merckx, de Albert Einstein en de Albert Verlinde van zijn tak van sport.

De manier van zeggen bestaat ook al een tijdje. Honderdvijftig jaar geleden werden in de kranten al af en toe mensen „de Napoleon” van dit of dat genoemd; van het westen bijvoorbeeld (dat wil zeggen: van Latijns Amerika), of van het graan. Ik vermoed overigens dat de constructie – die in andere Europese talen ook bestaat – nu ook weer niet veel ouder zal zijn. Er is een persoonlijkheidscultus voor nodig die gedijt bij massamedia. Vondel was nog niet de Willem van Oranje van de toneelschrijfkunst.

Het is nog steeds wat lastiger om de vergelijking te vinden met vrouwen in de hoofdrol – misschien omdat zij in onze cultuur minder snel iconisch worden – maar ze zijn er natuurlijk wel. Al in 1981 werd Saskia Stuiveling ‘de Neelie Kroes van het nieuwe kabinet’ genoemd, en Wilders noemde Mark Rutte ooit ‘de Femke Halsema van de VVD’.

Er is iets bijzonders met dit soort vergelijking. Meestal vergelijk je iets of iemand met iets betrekkelijk algemeens: met een leeuw of met een koning, bijvoorbeeld.

Zo kun je gemakkelijker afzien van details die niet kloppen. In dit geval gaat het echter om uiterst concrete individuen, al moeten die wel heel duidelijk ergens voor staan. Iemand zal niet zo snel zeggen dat Muhammad Ali de Martijn van Dam van het boksen was, omdat niet zo duidelijk is welke karakteristieke eigenschap van de oud staatssecretaris, ook aan Ali kan worden toegedicht.

Juist omdat de vergelijking er een is met een concrete persoon in plaats van met iets abstracters, klopt ze nooit helemaal en is ze uiteindelijk vaak een beetje belachelijk. Dat kun je goed zien als Harry Mulisch erbij wordt gehaald. Of het nu gaat om André Hazes, ‘de Harry Mulisch van de laaggeletterdheid’ (‘half bekend Nederland eerde hem vanwege zijn teksten’) of om Max Verstappen, ‘de Harry Mulisch van het Nederlandse racetalent’ (‘ik doe alsof hij de verlosser is’). En de Harry Mulisch van het voetbal? Dat was de keeper Frans de Munck van Fortuna, die in hetzelfde jaar overleed als de schrijver, maar de eretitel verdiende door zijn reputatie als vrouwenverslinder. Want Harry Mulisch was natuurlijk de Casanova van de Nederlandse letteren.

    • Marc van Oostendorp