Opinie

    • Hans Beerekamp

De Mart genoot en zag dat het goed was...

Gastheer Matthijs van Nieuwkerk introduceert hem als „de grand old man van de sportjournalistiek.” NOS-directeur Jan de Jong doet er een schepje boven op. Voor hem was Mart Smeets, „de Johan Cruijff onder de presentatoren”, ooit de reden om bij de televisie te gaan werken.

Na 42 jaar onafgebroken de NOS te hebben gediend, moet de Mart (69) afscheid nemen. Bij de Olympische Spelen in Rio mag hij nog een keer commentaar geven bij de basketbalwedstrijden. En DWDD (VARA), steeds meer zijn nieuwe thuis op tv, organiseerde een feestelijk uitzwaaiprogramma in de Apollohal in Amsterdam-Zuid, waar het feestvarken als kind basketbal speelde.

Ik ken veel mensen die allergisch zijn voor Smeets. De redenen liggen voor de hand: zijn arrogantie, de zelfingenomenheid van de babyboomer die volgende generaties maar prutsers vindt; een te volgzame houding voor een journalist, die bij de sportsterren op schoot zit, met name dopingzondaren als Lance Armstrong, die hij tot op het laatst verdedigde tegen al die rare praatjes van andere journalisten.

Die verwijten zijn niet onzinnig, ook al riep hij nu in de Apollohal spontaan „Lul!” toen hij werd geconfronteerd met een foto van Armstrong. Het argument dat al die andere sportcommentatoren van Spaanse, Noorse of Italiaanse publieke omroepen ook nooit de aanval hebben gekozen tegen onbewijsbare praktijken, nou ja, laat maar.

En toch is de Mart een geweldenaar: geen onderzoeksjournalist maar een spreekstalmeester uit de school van Han Hollander, Jan Cottaar en Theo Koomen. Zelf noemt hij Bob Spaak als zijn leermeester, die hem een dwingend advies gaf: „Vertel wat je voelt!”

Daar gaat het immers om in de sportjournalistiek, het vertalen van prestaties naar avontuen voor de huiskamer. De Mart is de grootmeester van het onderkoelde pathos, een taalvirtuoos, die alle namen paraat heeft en binnen de hem toegemeten tijd feilloos improviseert. Hij kan het en hij weet dat hij het kan.

In Matthijs van Nieuwkerk herkent hij een gelijke, wat vaak ook tot botsingen leidt. Ook nu, in dit saluut, liep het even hoog op, toen de interviewer over zijn parmantigheid begon. „Dat is jou ook niet vreemd”, pareerde Smeets het verwijt. De zaal reageerde met bijval op de jij-bak. „O, dit is een thuiswedstrijd!”. constateerde Matthijs. De Mart, over zichzelf: „In dezelfde minuut is de gelijkmaker tot stand gekomen.”

De fragmenten uit zijn lange carrière waren goed gekozen. Een orkestje speelde Mas que nada en Buenas nochas, amor! van Dalida, de vaste slottune van De Avondetappe.

De Mart genoot met volle teugen en zag dat het goed was. Hij begon de avond met de anekdote over de Olympische Spelen van 1972 in München. Veel sporters en verslaggevers waren naar huis gegaan, na de terreuraanslag op de Israëlische ploeg. De jonge verslaggever van De Tijd liep bij de NOS naar binnen en kreeg de perskaart van Joop van Zijl om zijn nek. Zo gaan die dingen. Eten of gegeten worden. Het was een slimme zet geweest.

    • Hans Beerekamp