Recensie

Scheepsbeschuit, storm en schipbreuk

Historicus Jaap Bruijn bracht het onzekere en moeizame leven in kaart van de gewone zeeman in de achttiende eeuw.

Lang stond de zeeman voor alles wat stoer en mannelijk was, inclusief doldriest gedrag in de havenkwartieren. Messentrekkers waren het, maar wel met het hart op de goede plaats. Wie nooit het ruime sop koos was een watje.

Via liedjes, prenten en jongensboeken heeft dat beeld stand kunnen houden en in enkele recente speelfilms vinden we dat terug. Naast al die mythes spreken de historische cijfers voor zich: jaarlijks werkten er in de zeevaart tussen de 50.000 en 60.000 man, onder wie veel buitenlanders. Maar het is vreemd dat er ondanks die kleurrijke verhalen en hoge aantallen nooit een goed boek over de Nederlandse zeeman is verschenen. Zo nu en dan de herinneringen van een bejaarde stuurman aan de wal, een scheepsjournaal, dat wel, maar een fundamenteel overzicht, zoals in Engeland, Spanje en Frankrijk, bestond hier niet.

Daarom was het een goede gedachte van Jaap Bruijn, emeritus hoogleraar Zeegeschiedenis aan de Universiteit Leiden, om zijn kennis over deze beroepsgroep te boek te stellen in zijn nieuwe boek Zeegang. Bruijn kon voor zijn beschrijving van de Nederlandse zeevaart in de achttiende eeuw steunen op zijn grote kennis en op een gevarieerde stroom van scripties, artikelen en proefschriften die de afgelopen decennia onder zijn supervisie tot stand kwamen.

Bruijn is niet van de heroïek of van de nationale borstklopperij. Hij is evenmin iemand van de abstracte tabellen en grafieken. Hem boeien vooral de levens van de gewone zeeman, van wie hoogstens een naam in een vergeelde monsterrol bewaard is gebleven. Zijn belangstelling gaat uit naar de achtergronden, het moeizame bestaan, het onzekere perspectief van die zeeman.

Conservatief

Bruijn begint met de verschillende takken van de zeevaart, de koopvaardij, de walvisvaart, de visserij, de VOC en de marine. Hij maakt daarbij duidelijk dat de gang van zaken opvallend conservatief is gebleven. Het werk aan boord, zelfs het voedsel van erwten, bonen, gepekeld vlees, gerookt spek en scheepsbeschuit – calorierijk en vitamine-arm – bleef min of meer hetzelfde. Een matroos uit 1800 had via de tijdmachine moeiteloos in 1700 kunnen aanmonsteren. Pas in de negentiende eeuw, bij de aanvang van de stoomvaart, zouden de condities fundamenteel veranderen.

In Zeegang komen alle relevante aspecten van de zeevaart aan bod, zoals de aanmonstering, de taken aan boord, verdiensten, voeding, ontspanning, geestelijk leven, tucht en desertie. Een terugkerend thema is de kans die de zeeman had, niet alleen om uit de kosten te komen, maar ook om er financieel iets aan over te houden – en dan natuurlijk ook nog gezond en wel. Hij moest daarbij risico’s afwegen, en daarin bestonden grote verschillen. Het is heel wat anders of je met vertrouwde familieleden en ervaren dorpsgenoten een paar maanden op een visserspink haring of kabeljauw aan het vangen bent of dat je voor vijf jaar tekent als matroos op een VOC-schip, zonder te weten of je over een paar maanden goed gehonoreerd weer aan de wal staat of in zeildoek verpakt op de zeebodem rust.

Het waren niet alleen de ‘alledaagse’ ongevallen – overboord vallen, een stuk rondhout op je hoofd krijgen, van een trap vallen of bij een vechtpartij aan boord gekneusd raken. Er dreigden uiteenlopende ziektes op de lange reizen, variërend van vlektyfus tot de onvermijdelijke scheurbuik.

Maar nog vele andere gevaren lagen op de loer: storm en schipbreuk. Grote zeeslagen waarbij Nederland betrokken was vonden in de achttiende eeuw vrijwel niet plaats. Wel kon je schip in tijden van oorlog worden gekaapt waarna jaren van gevangenschap in Engeland of Frankrijk volgden. Erger nog was de mogelijkheid om door Noord-Afrikanen – de Barbarijse zeerovers – gevangen te worden genomen en in slavernij je jaren te slijten.

Wie dergelijke gevaren overleefde mocht van geluk spreken, maar van een comfortabele nazorg was geen sprake. Bij de VOC en admiraliteit golden compensatiebedragen voor verloren ogen en ledematen. Van posttraumatische stress had nog nooit iemand gehoord.

Thuisfront

Ook aan het thuisfront besteedt Bruijn aandacht. Want de zeeman was niet per definitie een ongebonden vrijbuiter. Vaak had hij een gezin en in bepaalde takken van zeevaart, zoals de walvisvaart, was het zeemanschap seizoensarbeid en keerde men na gedane zaken weer terug naar vrouw en kind. Die hadden het ook niet gemakkelijk. Als de mannen al terugkwamen dan was het nog lang niet zeker of ze wel een welgevulde beurs mee terugnamen. En als ze níet terugkeerden wat dan?

Enkele regelingen konden het leed verzachten. In vissersdorpen bestonden weduwen- en wezenkassen, voor een leventje aan de rand van het bestaansminimum. Nabestaanden van nooit teruggekeerde Oost-Indiëvaarders kregen na jaren nog de achterstallige gages uitbetaald. Voor het vrijkopen van christen-slaven in Noord-Afrika werden inzamelingen gehouden.

Bruijn illustreert dit alles met concrete gevallen, met persoonlijke verhalen, afkomstig uit archiefstukken, uit memoires en brieven. Zo krijgen de mannen van de zee zo niet een gezicht dan toch een naam.

    • Roelof van Gelder