‘Bomen zijn perfecte sculpturen’

Giuseppe Penone maakt bomen, maar dan op hun kop of met verguld binnenste. „De boom is voor mij geworden wat een stuk papier voor een tekenaar is.”

Foto’s Olivier Middendorp

In de tuin van het Rijksmuseum staat sinds 1885 een vleugelnootboom, een boom zo majestueus dat hij veel van de binnen geboden schoonheid in de schaduw stelt, zoals dat eigenlijk ook al binnen kan gebeuren als er een mooi meisje voor het Melkmeisje staat. In en om het Rijksmuseum wordt door mensen gemaakte schoonheid meer vereerd dan schoonheid die er zomaar is, zoals die van een meisje of een boom. Maar is dat wel terecht? Waarom is er zo’n strikt onderscheid tussen vlees en verf, tussen boom en brons, tussen natuur en cultuur?

Het is een vraag die mij kwelt sinds ik voor het eerst de bronzen boom van Giuseppe Penone zag in de tuin van museum Kröller-Müller, en die door andere werken van de kunstenaar soms lijkt te worden gesteld en dan weer beantwoord.

Het werk van deze Italiaanse kunstenaar houdt deze zomer de vleugelnootboom gezelschap. Vaak zijn het ook bomen, maar dan op hun kop, met een verguld binnenste, met stenen tussen hun takken of een marmeren bast. Penone (Garessio, 1947) woont in Turijn, niet ver van zijn geboortedorp. Daar begon in 1968 zijn carrière als kunstenaar met een aantal ‘sculpturale gebaren’ in een boom. Sindsdien werkt hij aan een strak oeuvre waarin natuur en cultuur verknocht zijn, als een alchemist die toevallig in de kunst terecht is gekomen.

De wereld lijkt voor hem een woud van vergelijkingen, die de tegenstellingen tussen mens en materie verwateren.

In de entree van zijn huis annex studio in Turijn loop je rond een van zijn kunstwerken naar boven. Natuurlijk is het een boom, deze keer van zijn bast en een aantal jaarringen ontdaan, zodat je zijn jeugd kunt zien. Penone kan zijn jaarringen niet afleggen; zijn huid kan de vergelijking met boombast steeds meer waarmaken. Op zijn werk hebben de jaren minder vat.

Is het voor u nog steeds 1968?

„Ik probeer de werkelijkheid te begrijpen via de taal van de beeldhouwkunst. Beeldhouwkunst is gebaseerd op de tastzin. Als je iets aanraakt met je hand neemt je hand de vorm van dat ding aan. Er ontstaat eigenlijk al een mal. Dat is de basis van de beeldhouwkunst. Mijn eerste werk maakte ik in 1968 en dat ging over de groei van een boom en de relatie tussen mijn lichaam en de boom en de relatie tussen de ruimte en die lichamen. Daar gaat mijn werk nog steeds over. Daar gaat alle beeldhouwkunst over.”

U bent de boom altijd trouw gebleven.

„De boom is voor mij geworden wat een stuk papier voor een tekenaar is.”

Ziet u bomen zelf ook als kunstwerken?

Ja, want een boom memoreert met zijn structuur zijn hele leven. Elk onderdeel van een boom is noodzakelijk voor zijn bestaan. Bomen zijn buitengewone beeldhouwwerken. Perfect.”

Kijkt u echt op dezelfde manier naar een boom als naar een sculptuur van Henry Moore of Michelangelo?

„In verschillende tijden heb je verschillende benaderingen van de beeldhouwkunst gehad, maar in wezen gaat het altijd om hetzelfde probleem. Het gaat op de eerste plaats om de mogelijkheden van het materiaal. Elk materiaal heeft de mogelijkheid tot expressie.

„Ik gebruik bijvoorbeeld brons om een boom te reproduceren omdat brons de kleur aanneemt van de omgeving. Als je dichtbij zee bent, zal het groen worden, in de stad zwart. Brons is heel mimetisch materiaal. Het is uitgevonden op een moment dat de natuur door mensen als heilig werd beschouwd. Het transformeren van dingen was een ritueel. Het was niet onschuldig. Je bent de realiteit aan het veranderen.

„Interessant voor mij is ook dat de methode van gieten in het begin ging met de cire perdue of de verlorenwasmethode, waarbij het vloeibare metaal in een vorm in de aarde wordt gegoten. Dat is eigenlijk de omgekeerde weg die een boom volgt als hij groeit. Het brons verdwijnt in de aarde en vertakt zich.”

Kijkt u op een andere manier naar een boom als naar een reproductie van een boom, bijvoorbeeld in brons?

„Een kunstwerk spreekt over de geschiedenis van de mens; een boom gaat over meer. Als je een sculptuur van een boom maakt gaat het over de connectie tussen die verschillende geschiedenissen.”

De eerste boom die u in Nederland maakte, is een kale bronzen boom in de tuin van museum Kröller-Müller. Hij is heel onopvallend, zeker als het herfst is.

„Dat was de eerste bronzen boom die ik maakte, een beuk, in 1988. Ik maakte hem omdat er in een rij beuken langs een pad een boom was omgevallen, dus daar was een plaats vrij. Hij valt niet op, maar als je hem ziet, zul je hem nooit meer vergeten. Dat maakt het een sterk beeld. Als je een rode rechthoek in een bos zou zetten, ziet iedereen hem meteen, maar na een paar minuten verveelt hij al. Als je de bronzen blaadjes op de grond ontdekt tussen de echte blaadjes heb je iets om over na te denken. Een kleine ingreep kan grote gevolgen hebben.

„In de tuin van het Rijksmuseum komt een werk te staan, een boom met een blok graniet tussen de takken. Zo’n zware steen tussen de takken zien, is de verrassing waarmee dit werk je lokt. Dan is er het idee dat iets dat uit de aarde komt plotseling zo hoog in de lucht is. Het is donker van kleur, graniet met een grijze ader, de kleur van ijzer. Je kunt het gewicht bijna voelen. Marmer heeft door zijn kleur iets lichtvoetigs maar dit blok is heel aards.”

Ziet u stenen ook als kunstwerken?

„Omdat ik beelden maak, zag ik dat het proces van steen bewerken eigenlijk hetzelfde was als wat er in een rivier gebeurt. Stenen lopen breuken op, ze worden gepolijst door zand en stroming, krijgen een steeds puurdere vorm. Je zou de rivier dus als een beeldhouwer kunnen zien. Ik pakte een steen uit de rivier en liep de berg weer op, naar de steenmijn en heb daar een steen zo bewerkt dat bij bijna identiek was aan de steen uit de rivier.”

Was het moeilijk het werk van de rivier te imiteren?

„Nee, maar het bleek wel moeilijk de overeenkomsten te zien. De eerste keer dat ik ze toonde was in de galerie van Konrad Fischer in Düsseldorf. Ik had de twee stenen in verschillende kamers gelegd en het viel niemand op dat ze hetzelfde waren. Kennelijk is het moeilijk je de vorm van een steen precies te herinneren. Wij hebben een beter geheugen voor gezichten dan voor stenen en bladeren. Onze kijk op de werkelijkheid is beperkt.”

U werkt veel met analogieën. Is dat uw voornaamst mentale instrument?

„De vergelijking is een retorische figuur die je nodig hebt in de beeldhouwkunst. Het maakt het makkelijk voor mensen om dingen te begrijpen, net als een vergelijking in gesproken taal. Wij noemen marmer geaderd, dat is zo in elke taal, maar marmer heeft helemaal geen aderen zoals wij die hebben. Zo begrijpen wij de wereld, via ons eigen lichaam. In mijn werk met marmer maak ik die aderen extra zichtbaar, zodat het materiaal nog meer op een menselijk lichaam gaat lijken.”

Gelooft u toch dat er een structuur is die wij met de dingen delen?

„Ja. Als een mensenmassa beweegt lijkt dat bijvoorbeeld erg op de beweging van water, wat weer lijkt op de manier waarop bomen en planten groeien. Dat is een structuur die door al het leven, zelfs door al het materiaal wordt gedeeld. Zelfs de bliksem lijkt met zijn vertakkingen op een boom. Mondriaan baseerde volgens ij ook de structuur van zijn abstracte schilderijen op die van bomen.”

    • Bianca Stigter