‘Acht weken mooi weer is voldoende om rond te komen’

Seizoenswerk Als iedereen vakantie viert, werken strandtenthouders, fruittelers, campingeigenaren en ijsboeren juist door. Seizoenswerk betekent: aanpoten, lange dagen maken en hopen op genoeg zon.

 Foto: Merlijn Doomernik

De strandtenthouder

Ze weet het nog goed, haar eerste zomerseizoen. „Tot half juni alleen maar regen, regen en nog eens regen. We vroegen ons af of het wel zou lukken. Inmiddels weten we beter. Acht weken mooi weer van de zes maanden is al voldoende om rond te komen.” Dunja Spaans (31) runt samen met haar neef Michel Varkevisser strandtent Indigo in Scheveningen. „Ons geld komt op drie manieren binnen: via bruiloften en partijen, via feesten die we zelf organiseren en via het restaurant.”

Vier jaar geleden namen ze de strandtent waar ze allebei bedrijfsleider waren over van de vorige eigenaren. „Toen ik bedrijfsleider was, werkte het simpel. Goed of slecht weer: je kreeg het geld gewoon op je rekening gestort. Toen we onze eigen tent begonnen, wisten we dat we de eerste jaren heel hard moesten werken en zuinig moesten leven om onze schulden af te betalen. Maar gelukkig kunnen we altijd op de zaak eten”, zegt ze lachend. Inmiddels hebben Spaans en haar neef een vast team dat elke zomer weer terugkomt. „Ik hoef zelf niet meer in de keuken te staan en kan soms zelfs met mijn moeder een biertje drinken op ons eigen terras, de eerste jaren lukte dat niet.” Maar, vervolgt ze: „Het blijft wel horeca hè. Als er iemand uitvalt, moet je altijd inspringen.”

Zodra de strandtent sluit en wordt opgebroken, gaat Spaans op vakantie. „Ik heb dan heel erg veel zin om zelf lekker op een terras te gaan zitten en niets te hoeven.” Wel neemt ze een opschrijfboekje mee „Voor als ik een kokosnoot proef en denk: ‘Ja! Dat moet bij ons ook op de kaart!’”

 Foto: Merlijn Doomernik

De aspergeteler

„Het aspergeseizoen duurt drie maanden. Wij beginnen in maart, en eindigen in juni, daarna hebben we acht tot negen maanden geen inkomsten.” Sandra de Wit (44) heeft samen met haar man een aspergebedrijf, De Wit Asperges, vlakbij het Brabantse Veghel. Onzeker, zo’n bestaan? „Nee hoor, ik lig er niet wakker van”, zegt De Wit. „Dat hoort het bij het boerenleven, je weet nooit zeker wat er binnen gaat komen. Daar ben ik wel aan gewend. En ach, een vaste baan kun je ook verliezen.”

In een vroege en warme lente komen de asperges vroeg op en veel aanvoer betekent een lagere prijs. „Als de opbrengsten minder zijn, heb je wel eens een jaar dat je denkt: ‘O, dit is niet genoeg voor de rest van de negen maanden’, maar het komt steeds goed. Het bedrijf heeft per jaar 200.000 kilo asperges te verwerken. De Wit: „Dat is aardig wat, ja. Mijn man begint ’s ochtends om 6 uur, dan gaat hij vast naar de schuur om te sorteren en gaan onze stekers naar het veld.” Lange dagen, soms tot een uurtje of vijf ’s middags, al hangt het ook af van het weer. „Als het koud en vochtig is, groeien de asperges niet zo hard.” Zelf staat Sandra de Wit in haar boerderijwinkel, zes dagen per week. Daar kunnen asperges worden gehaald, en alles wat erbij hoort om ze op tafel te zetten: eieren, sauzen, schilmesjes en ham.

„Ook in de winter is er genoeg te doen hoor”, zegt De Wit. „Velden beregenen in de nazomer, nieuwe velden zoeken, machines bouwen en onderhouden en de winkel herinrichten. Tijdens het seizoen moet alles geolied lopen natuurlijk.” In de herfstvakantie gaan ze een poosje weg, maar niet te lang. „We genieten thuis van onze vrije tijd, we wonen op een mooie plek en hoeven niet per se ieder jaar lang van huis.” Ook helpt De Wit op de school van haar twee kinderen van 8 en 10, als voorleesmoeder bijvoorbeeld, iets waar ze in het hoogseizoen geen tijd voor heeft.

 Foto: Merlijn Doomernik

De festivalopbouwer

Een willekeurige maand in het voorjaar ziet er voor Maarten van Komen (28) ongeveer zo uit: om 7 uur ’s ochtends naar Maastricht waar hij de stroom aanlegt voor de Amstel Gold Race, tot 5 uur ‘s middags. Daarna naar de Lommer, waar hij tot 12 uur ’s nachts een Datingfestival opbouwt. Zondag loopt hij in Limburg een „permanentje om te checken of alles goed gaat”, maandag bouwt hij af, twee dagen later gaat hij naar België om drie weken een festival op te bouwen. „Het leuke aan dit werk? Iedereen is altijd vrolijk, er wordt onderling veel gelachen en toch hard gewerkt.”

„De weken vliegen voorbij, maar het is superzwaar”, zegt hij. Na de opbouw van een festival, met dagen van meer dan twaalf uur, is hij zo een paar dagen aan het bijkomen. „Ik werk zes maanden keihard, zodat ik genoeg geld heb voor ruim een jaar.” Betaald krijgt hij per uur, of per dag.

In de winter gaat hij snowboarden. Hij zou kunnen werken als gids, maar dat wil hij niet. „Ik ben helemaal in mijn nopjes in de bergen. Ik kies er bewust voor om in de winter niet te werken en alleen maar te freestylen.”

Van Komen werkt als zzp’er en heeft verschillende opdrachtgevers in het evenementenwereldje. „Er gaat best wel wat geld in om. Als je professioneel bent, willen mensen wel betalen.” Halverwege de zomer heeft hij een evaluatiemoment: komt er genoeg binnen? Moet hij nog opdrachten zoeken? „Vorig jaar was het boffen, kreeg ik aan het eind van het seizoen nog een klus erbij van 25 dagen. Een dik maandsalaris extra!” Van Komen houdt inmiddels een buffer achter de hand, om zijn auto te kunnen betalen en een appartementje te kunnen huren. Soms doet hij nog begeleiding bij een buitensport bedrijf, bij het quad rijden, tokkelen en muurklimmen. Minder goed betaald, maar lekker voor de afwisseling. Maar, zegt hij: het is ook heftig. „Ik ben close met mijn familie, maar zie ze nauwelijks. Een relatie opbouwen? Dat is lastig. Ik geef veel op om te doen wat ik vet vind.”

    • Marloe van der Schrier