Opinie

    • Ellen Deckwitz

Reddingszwemmen

Er zijn genoeg redenen om je op zijn tijd flink sip te voelen: voorkruipers, het bestaan van Halbe Zijlstra, je kat die zich geroepen voelde je net opgekweekte petunia’s uit te moorden. In de loop der jaren heb ik mezelf weten te wapenen tegen dat soort triggers: lach erom, eet een bak ijs, breng je kat een dagje naar het asiel, en het gaat wel weer. Lastiger wordt het als je wakker wordt en zonder enige reden het dekbed niet met veren, maar met lood gevuld is, zoals afgelopen zaterdagochtend. Opeens was er niets meer om naar uit te kijken.

Inmiddels heb ik zoveel ervaring met dit soort dagen, dat ik weet dat ze niet te bezweren zijn met een goed gesprek of een middag troostkopen. Ik weet ook dat zo’n bui op een zeker moment overwaait, maar de ellende is dat zo’n asfaltgrauwe brand in de tussentijd uitslaat naar mijn hele lichaam: mijn rug kromt zich als een vraagteken, de gewrichten van mijn vingers gaan op slot, op iedere spier zit een wielklem. Op dat soort dagen is er maar één oplossing: het zwembad.

Mijn schoonmoeder zegt altijd dat wie vrijwillig gaat zwemmen niet in orde is, en inderdaad: de meeste mensen gaan pas het water in wanneer ze op een bepaalde manier stuk zijn: als hun hart of rug moet worden opgeknapt, of, zoals bij mij, hun hoofd. Er zit op dat soort momenten niets anders op dan drie keer per week dertig minuten slagen maken met mijn ledematen om de serotonineproductie weer aan te zwengelen. Keihard spartelen, tot ik blijf drijven.

Dit weekend was het zo erg, dat ik twee dagen achter elkaar ging. Ik liet mezelf vallen in het water en een stiller deel van mijn bewustzijn nam het meteen over. De noodaggregaten sloegen aan en als een opwindbootje begon ik te zwemmen. Langzaam voelde ik hoe mijn hoofd uit mijn lichaam raakte, hoe de spieren ontdooiden en weer soepel werden. Langzaamaan voelde ik iets van levenslust terugkeren.

Ik stel me op dat soort momenten voor dat mijn familie, mijn geliefden en mijn vrienden aan de kant staan om me aan te moedigen. Ze roepen ‘houd vol’ en ‘harder, harder!’ Ik spartel verder, haal met iedere crawlslag uit tegen het donkere blok voor me. Met elke slag denk ik, wat doe ik hier, ik wil hier niet zijn, ik wil eruit. Met elke slag duw ik mezelf dieper het bad in, tot de dertig minuten voorbij zijn, tot er weer leven in zicht komt.

    • Ellen Deckwitz