Opinie

    • Maxim Februari

Neoliberalisme bedreigt veelvormigheid van de taal

Geuren van parfum stegen op uit luipaarden, schreef de beroemde schrijver. De correctrice keek ontevreden naar die zin, die in haar ogen onwaarachtig en verwarrend was. Geuren van parfum, corrigeerde ze, stegen op uit bontmantels. Ze knikte. Zo was de wereld opeens weer een stuk overzichtelijker. Toen boog ze zich over de volgende zin.

Om aan alle poeha een einde te maken hebben uitgevers een staf van persklaarmakers in dienst die rare woorden vervangen door gebruikelijker woorden. Ze veranderen het lyrische ‘zwaarmoedig’ in het medische ‘melancholiek’ en het culturele ‘vooruitstrevend’ in het journalistieke ‘progressief’. Toen ik, lang geleden, ergens schreef dat ‘Oedipus met zijn moeder was getrouwd’, greep een van hen meteen in. Dat kan niet, dacht hij, dat gaat te ver. ‘De moeder van Oedipus was getrouwd’, schreef hij.

Van dit normaliseringsproces heb ik in mijn loopbaan zichtbaar geprofiteerd. Totdat onlangs een tijdschriftcorrector met zijn pennenmes een millimeter te ver uitschoot en daarbij iets in mijn taalcentrum raakte waardoor ik licht blijf knipperen met één oog. Sindsdien ben ik niet meer in staat een oorspronkelijke gedachte te formuleren. Gelukkig gaf iemand me een interview te lezen met een filosoof; die stelde dat de veelvormigheid van onze taal wordt bedreigd door het neoliberalisme. Jawel, typisch iets dat ik een week eerder zelf ook nog had kunnen bedenken.

Het neoliberalisme, zegt Achille Mbembe, tast het vermogen tot verbeelden aan. In samenhang hiermee is de taal homogener geworden. Zakelijker. De wereld wordt beschreven in stereotypen. Zinnen zijn korter. Je zou kunnen zeggen dat de vertaling van luipaarden in bontmantels een manifestatie is van deze disruptieve invloed op het creatieve denken. En sommigen zeggen dat soort dingen ook. Er is duidelijk een hang naar formele terminologie en naar een benadering die beschrijft in plaats van bezingt.

De voorliefde voor zakelijkheid en homogeniteit valt vast niet alleen terug te voeren op de economische ontwikkeling van de laatste eeuw, denk ik. Je mag aannemen dat taal ook formeler wordt door het gebruik van programmeertalen en door voortgaande standaardisatie van bedrijfsmatige en beleidsmatige processen. Het kan niet anders of taalgebruik verandert daarnaast door mediagebruik en globalisering.

In het denken over de vrijheid van meningsuiting kom je verwijzingen naar zulke taalverschijnselen zelden tegen. Wel ideeën over woordenschat en het gebrek daaraan. Geen theorieën over gedwongen normalisering en het verdwijnen van dichterlijkheid, waardoor gemakkelijk grote onrust in de samenleving kan ontstaan. Bij gebrek aan verbale wendbaarheid is een mening immers niet alleen lastig te formuleren, maar vooral ook heel lastig te begrijpen.

Vorige week spraken een paar cabaretiers op Twitter er schande van dat in een discussie over gelijkheid hun oordeel niet was gevraagd. „Wegkijkers!”, schreef de een vrolijk. „Pure discriminatie! Ik ga aangifte doen”, schreef de ander ironisch. Dit dreigement van aangifte belandde vervolgens in volle ernst op Mediacourant.nl. Waarna men er in de frivole domeinen van het internet boos over werd. Waarna de boosheid doordrong tot de serieuzere blogs.

Door zakelijker te worden, homogener en letterlijker, kun je proberen dit soort misverstanden te voorkomen. Maar aan die homogeniteit moet dan wel iedereen meedoen. En in deze voorwaarde zit meteen het probleem, want tenzij de mensheid collectief in logische talen gaat spreken, zal communicatie altijd worden bemoeilijkt door stijlbreuken, toespelingen, understatements, bombasmen en de onvermijdelijke anticlimax.

Gevoeligheid voor stijl bevorderen, lijkt dan ook verstandiger dan taal platslaan. In een lezing over Erasmus nam Ahmed Aboutaleb het onlangs op voor verbaliteit. „Juist in een tijd van mondialisering is taalvaardigheid van groot belang als we elkaar goed willen verstaan”, zei hij. Daarbij wees hij op het belang van Engels: wereldtaal zoals het Latijn wereldtaal was ten tijde van Erasmus. Hij had eraan kunnen toevoegen dat je, om elkaar echt te verstaan, naast Engels of Latijn vooral ook stijlgevoeligheid nodig hebt. Begrip voor andermans taalregisters.

Uit mijn jonge jaren herinner ik me vrij weinig van het literatuuronderwijs. Geen jaartallen, stromingen of definities. Wel kan ik me nog herinneren hoe een klasgenote geestdriftig een boek omhoog hield. Waarom was dat boek zo goed, wilde de leraar weten.

„Ik weet niet”, zei de klasgenote. „Gewoon. Er kwam een geweldige zin in voor. Over een vrouw die gekleed was in een champagneglas.” Zo’n zin zou je natuurlijk neoliberaal kunnen corrigeren, maar je zou hem ook kunnen laten staan.

    • Maxim Februari