In de Gouden Eeuw had iedereen een ‘slecht landschapje’ hangen

In de 17de eeuw zijn in Nederland miljoenen schilderijen gemaakt. Ateliers produceerden ze aan de lopende band, en gewone gezinnen hadden er vaak wel vijf of tien aan de muur.

'De dochter van Jefta wordt geofferd', door Jan Christiaansz. Micker, circa 1640-1650.

Hoeveel schilderijen zouden er in Nederland in de zeventiende eeuw vervaardigd zijn? De schattingen lopen uiteen: minstens één miljoen werken, maar misschien waren het er wel tien miljoen.

Het gros daarvan was vrij goedkoop lopendebandwerk. „Bijna iedereen had schilderijen, het was in de mode”, zegt kunsthistoricus Angela Jager, die vrijdag 3 juni in Amsterdam promoveerde op schilderijen van dertien in een dozijn, uit de Gouden Eeuw.

Voor een paar gulden had je in die tijd al een aardig schilderijtje. Ter oriëntatie: één gulden was het bedrag dat een geschoolde arbeider per werkdag kon verdienen. De prijs van een ‘goedkoop schilderij’ was dus het loon van een paar dagen. Dat had de gewone man er blijkbaar voor over.

Jager: „Sommige schilderwerkplaatsen produceerden zowel duurdere als goedkopere schilderstukken. De grote werkplaats van Jacob de Wet bijvoorbeeld, die gespecialiseerd was in scènes uit de bijbel en de klassieke mythologie. Een schilderij van de hand van De Wet zelf kostte 30 tot 50 gulden. Zijn leerlingen reproduceerden dezelfde voorstellingen, maar dan iets simpeler, met minder verflagen, minder details, nauwelijks gezichtsuitdrukkingen, en dat werd dan veel goedkoper verkocht. In het beste geval voor 8 gulden, meestal voor minder.”

Van al die goedkopere schilderijen hebben er maar heel weinig de eenentwintigste eeuw gehaald. En wat er nog is, is moeilijk te traceren. Jager was daarom vooral aangewezen op geschreven bronnen, zoals inventarislijsten van kunsthandelaars en boedelbeschrijvingen van overleden personen. Daaruit blijkt dat ook de minder welgestelden vaak vijf, tien of meer schilderijen in huis hadden.

De scheepstimmerman Jan Hermenszoon, bijvoorbeeld, liet in 1650 een portret van zijn vrouw na, plus nog elf andere schilderijen, met een geschatte waarde van 13 gulden. In de boedelinventarissen wordt vaak met een paar woorden beschreven wat er op de schilderijen te zien was: ‘1 schilderij van Susanna met swarte ende vergulde lijst’, ‘1 slecht landschapje’ (‘slecht’ betekende in de zeventiende eeuw nog ‘eenvoudig’), ‘een schildery van Cleopatra’. Jager vergeleek de boedels van welgestelde mensen met die van mensen die geleefd hadden van een bescheiden inkomen.

„Daarbij bleek dat bij de elite Venus heel veel voorkwam – iedereen had dat – of naaktschilderijen in het algemeen. In de kleinere boedels kom je dat niet tegen. Naakten werden in die tijd ook niet geschikt geacht voor de gewone man, want die had niet de intellectualiteit om daar op een artistieke manier naar te kijken.”

Venus was onderdeel van de elitecultuur. Als iemand in het gegoede milieu ging trouwen kwam Venus voor in een huwelijksgedicht en werden er schilderijen of prenten van Venus geschonken als huwelijksgeschenk. Ook dacht men dat als je naar een mooie naakte vrouw keek tijdens de geslachtsdaad dat je dan ook een mooi gezond kind zou krijgen.

In de boedels van minder vermogenden zaten vooral veel afbeeldingen van bijbelse scènes. „Dat is eigenlijk ook heel logisch. Die verhalen kenden zij nu eenmaal.” Vooral de gruwelijke bijbelverhalen waren populair: boeiend om naar te kijken, ook als zij niet mooi geschilderd waren.

„Mythologische onderwerpen zie je nauwelijks in die kleinere boedels. Wel bij de elite, want dat waren weer boeken die zíj lazen, op de Latijnse school en zo.”

Ook de elite had een hoop van die goedkopere schilderwerkjes aan de muur hangen. „Dat waren echt niet alleen meesterwerken. Kan ook bijna niet bij die grote verzamelingen die ze vaak hadden – soms meer dan honderd schilderijen.”

    • Berthold van Maris