‘In de ban van Broadway’ een zomerse komedie met ernstig hart

In de ban van Broadway In de nieuwe DeLamar-productie met Loes Luca en Tjitske Reidinga in de hoofdrollen staat de parodie voorop.

Scène uit In de ban van Broadway Foto Leo van Velzen

‘Groots en geniepig”, heet In de ban van Broadway op de affiches. En ook: „Een zomermusical”. Zo ligt de ironie er meteen al duimendik op. Zelfs voor de genreaanduiding geldt een knipoog, want hoewel er af en toe een liedje wordt gezongen, is dit bepaald geen musical die zichzelf serieus neemt. Niet alleen woekert menigeen in dit ensemble met begrensde vocale middelen, maar ook in de bescheiden choreografieën staat de parodie voorop. Showdansjes, maar dan in slow motion – bij wijze van dubbele bodem. Wat dat betreft past deze zomerproductie feilloos in de reeks lachwekkende kerstvoorstellingen voor het hele gezin die regisseur Pieter Kramer al jarenlang maakt bij het Ro Theater. Maar dan voor grote mensen.

De geniepigheid schuilt in het ambitieuze blondje dat weet binnen te dringen in de cercle van een gevestigde Broadway-diva die langzamerhand niet meer de leeftijd heeft voor de grote romantische rollen. Zoals het in de legendarische film All about Eve (zie inzet) ging, zo gaat het ook hier. Door een list moet de ouder wordende diva op een avond opeens worden vervangen – en dan staat haar jeugdige rivale klaar om definitief de sterrenstatus over te nemen van de vrouw die ze zegt zo hevig te bewonderen. In de nieuwe bewerking van Nathan Vecht is de angel van het origineel iets minder scherp, maar zijn tekst wemelt van de rake zinsneden. „Zet de deur even open, lieverd”, laat hij de regisseur tegen zijn topactrice zeggen. „Straks past je ego niet meer in deze kleedkamer”. Of, uit de mond van een jeremiërende dame die zich over het hoofd gezien waant: „Ik ben een vulkaan van creativiteit. Ik ben alleen nog nooit uitgebarsten.”

Kramer bouwde daar een schouwspel omheen met een riant arsenaal aan visuele verrassingen, zoals coulissendecors en andere toneeltechnieken die allemaal nadrukkelijke namaak zijn. Bovendien verwijst hij menigmaal naar allerlei filmclichés. Zodra er bijvoorbeeld een monoloog begint, klinkt er een gevoelig vioolmuziekje op. Zulk persiflerend commentaar op de gebeurtenissen maakt de acteurs menigmaal tot komische stripfiguren, maar daartoe heeft de regie hen gelukkig niet beperkt. Het wonder van deze voorstelling is dat de komedie te midden van alle grappen soms toch hout snijdt. Zo scheppen Loes Luca en Tjitske Reidinga in hun hoofdrollen twee vrouwenfiguren die tevens iets van waarachtigheid laten zien. En datzelfde geldt voor alle anderen: Peter Blok, Bianca Krijgsman, Leny Breederveld, Martijn Nieuwerf, Marisa van Eyle en Hans Leendertse – komediespelers op hoog niveau, die niet in loze kluchtigheid vervallen.

Voor de liedjes koos men om onduidelijke redenen hits van de Bee Gees. Maar door de soepel vertaalde teksten van Jurrian van Dongen passen ze wel in de handeling. „Alleen het tandvlees kruipt omhoog / de rest zakt naar beneden toe”, zingt Loes Luca in haar Bette Davis-rol.