Rouwen om een radicale moslim

Arjen van Veelen schrijft wekelijks over een nieuwsfoto. Vandaag: bokser Muhammad Ali. Een topsporter met een radicale boodschap. Zulke sporters zijn nu ondenkbaar.

Stel dat Kiki Bertens zich vanaf vandaag Fatima Mohammed noemt. En een hoofddoek omdoet. En weigert belasting te betalen aan de Nederlandse schatkist vanwege de oorlog die we voeren tegen ISIS.

Of nee, stel dat Badr Hari op de cover van de LINDA staat afgebeeld en zichzelf boeddhist noemt en zegt: ‘Ik heb geen problemen met ISIS. Zij hebben me tenminste nooit neger genoemd.’

Of wacht, beter nog, stel dat Memphis Depay zichzelf voortaan Mohamed noemt. En dat hij langs universiteiten gaat om te prediken over de Islam, tegen marihuana en tegen gemengde stelletjes. En dat hij een rechtszaak aan zijn broek krijgt en drieënhalf jaar niet mag voetballen.

Dat zou natuurlijk polariserend zijn in ons land. Zie alleen al wat Sylvana Simons overkwam toen ze politiek actief werd. Maar zo heb je misschien een klein beeld van wat Muhammad Ali teweegbracht in de jaren zestig. ‘Miljoenen mensen haatten hem’, zoals David Remnick schreef in The New Yorker.

Dit nummer van Esquire verscheen in 1968. Ali had al afstand genomen van zijn ‘slavennaam’ Cassius Clay. En hij had dienstplicht geweigerd. Zijn wereldtitel was hem ontnomen. Hij zou drieënhalf van zijn beste jaren niet boksen. Hij liep daardoor een miljoen dollar inkomsten mis. Nogal een offer voor een mening.

Je zou kunnen zeggen: hij was een radicale moslim, een martelaar.

En zo wilde Esquire hem dan ook afbeelden, als martelaar althans, als de heilige Sebastiaan. Die staat op veel schilderijen ook met pijlen doorboord afgebeeld.

Het was een heel gedoe om die pijlen in zijn borst te krijgen. Ze vielen steeds naar beneden. Uiteindelijk zijn ze met onzichtbare visdraadjes opgehangen.

Behalve die pijlen vastplakken, was er ook een theologisch probleem. Sebastiaan was een christen en Ali had zich juist bekeerd tot de islam. Dus toen Esquire hem het plan vertelde (vroeger werden dat soort dingen niet voorgekookt met een pr-manager), belde Ali eerst lang met zijn geestelijk leider, Herbert Muhammad, van de Nation of Islam. Uiteindelijk gaf Ali toestemming, aldus George Lois van Esquire in een terugblik op de beroemde cover.

Ali was radicaal, maar soms moet je flexibel zijn om je boodschap over te brengen. En charmant.

Afgelopen weekend leek de hele wereld wel in rouw om die radicale moslim. Zelfs mensen die niets van radicale moslims moeten hebben, zoals Donald Trump, spraken lovende woorden. Muhammad Ali werd herdacht als een lieve man, niet als radicale moslim.

Zulke sporters zijn nu onvoorstelbaar. Omdat we in andere tijden leven. Onze sporters zijn contractueel verplicht hun mondje dicht te houden over politiek. En ook veel sportjournalisten doen alsof sport en politiek niets met elkaar te maken hebben. Daarom kunnen we met een gerust hart naar corrupte landen als Brazilië. En blijven we de corrupte FIFA steunen alsof het niets is.

Zelfs Cruijff zei trouwens nooit iets radicaals. En als een sporter eens eigenwijs doet, zoals toen Memphis Depay eens een nieuwe hoed op had, worden sportjournalisten opeens wel super kritisch.

Het is lastig voor te stellen hoe radicaal Muhammad Ali precies was voor zijn tijdgenoten. Misschien was zijn tijd, de jaren zestig, sowieso radicaler, en viel het minder op.

Of het is net als met Martin Luther King en Nelson Mandela. Ze werden eerst gezien als bloedirritante betweters of zelfs terroristen. Maar later, als hun venijn is uitgewerkt, kunnen we ze herinneren als schaapachtige heiligen.

Je kunt het uitgummen van de geschiedenis noemen. Maar het was ook wat Ali zelf wilde. Hij kreeg in 1972 door David Frost de vraag hoe hij herinnerd wilde worden. Hij antwoordde toen met een lange tekst, ik denk dat hij hem uit zijn hoofd geleerd had. Het is een citaat dat aan zoetsappigheid weinig te wensen over laat. Klaar voor Pinterest. En de afgelopen dagen ging juist dit citaat viraal: ‘Ik zou willen dat ze zeiden: hij nam een paar kopjes liefde. Hij nam een theelepel geduld, een theelepel gulhartigheid, een theelepel vriendelijkheid; hij nam een kwart lachen, een deel zorgen, en daarna mengde hij breidwilligheid met geluk. Hij voegde heel veel geloof toe en roerde alles goed door elkaar. Daarna spreidde hij het uit over de duur van een leven. En ieder die hij tegenkwam, en die het verdiende, bediende hij.’

Waarop applaus van de aanwezigen volgde.

Ik houd niet van boksen, een sport waarbij je op andermans hoofd slaat. Maar het leuke van Muhammad Ali leek me wel dat hij een topsporter was die weleens wat zei. Daarom moet hij herinnerd worden, niet om zijn mierzoete levensrecepten.

    • Arjen van Veelen