Opinie

    • Wilfried de Jong

Poef. Poef. Poef.

De dochter van Muhammad Ali stuurde een bericht de wereld in: nadat alle lichaamsdelen van haar vader op zijn sterfbed waren stilgevallen, bleef zijn hart nog dertig minuten kloppen. De laatste slagen van een sporthart, gedempt door een 74-jarige borstkas. Als het geluid van een vermoeide bokser die in de gym achter gesloten deuren nog een paar stoten oefent op de zak.

Poef. Poef. Poef.

Zolang zijn hart klopte – hoe zacht ook – leefde er nog iets in Ali en was hij er nog voor de wereld.

Die mooie Ali, met dat prachthoofd waar geen plaats was voor littekens. Zijn hele leven schudde hij van ‘nee’ als hij in de ring geraakt werd. Nee, het deed geen pijn. En de stoten van Frazier en Foreman waren mis. Met zijn shuffle en reactievermogen was hij iedereen te snel af.

Zo leek het.

Maar Ali werd in zijn glorietijd juist veel geraakt. Vooral in figuurlijke zin; door racisten, politici en bestuurders. Die pijn was universeel, vooral voor zwarten. Zijn statements werden uppercuts om het onrecht te bestrijden.

In de nadagen van zijn carrière eiste de bokssport zijn tol. Zijn Parkinson werd in verband gebracht met de beuken op zijn hoofd. Ali bleef ontkennen. In de schuddende, verijsde man zat een levendig, wijs, brutaal en grappig jongetje. Bij een uitreiking zei hij, met steeds zachter wordende stem: „I’ll be back.

Hoe lang tikte zijn hart nog?

Poef… Poef.

Ja, ook ik was zo’n jongetje dat in de nacht opstond en verdoofd door de slaap keek naar Ali. Tegen George Foreman in Kinshasa. Ali danste niet, hij hing in de touwen. Ik was zo bang dat hij ging verliezen. Een ronde van drie minuten voelde aan als een eeuwigheid.

En dan opeens het spervuur aan stoten in de achtste ronde.

Ali won.

In de kleedkamer lag Foremans hoofd onder ijszakken. Hij telde terug van 100 naar 0 om zeker te weten dat zijn hersens in orde waren. Hij kon zich niet herinneren hoe Ali hem knock-out had geslagen: „Ik denk dat je zo’n stoot niet echt ziet, dat je die niet beseft.”

Na een halfuurtje op het sterfbed, stopte het hart van Ali voorgoed.

Uitgeteld.

Thuis pakte ik het reuzenboek GOAT, The Greatest of All Time, en keek naar de vierkante foto op het omslag. 1966. We hangen boven de ring. Cleveland Williams ligt verslagen in een hoek op zijn rug op het belopen canvas.

In de andere hoek staat een man met beide bokshandschoenen omhoog. Zwart kroeshaar. Bronzen schouders. Wit satijnen broekje van Everlast, witte schoenen.

Ik zie hem zo staan – toen al een icoon – en denk aan het hart dat nog zoveel jaren bleef kloppen.

Muhammad Ali. Wat een man.

    • Wilfried de Jong