Moorddadig

Het was niet zozeer om jeugdsentimentele redenen dat ik zaterdagnacht bij de NPO graag de herhaling van het boksgevecht tussen Muhammad Ali en Joe Frazier uit 1975 wilde zien. Ik wilde vooral weten of ik nu met andere ogen naar zo’n gevecht zou kijken en of ik nog iets van de fascinatie zou voelen uit die tijd, toen ik vaker midden in de nacht opstond om naar Ali te kijken.

Ali en Frazier streden in Manilla voor de derde maal tegen elkaar: Frazier won het eerste gevecht, Ali het tweede. In de aanloop schold Ali zijn tegenstander uit voor alles wat vooral lelijk was: hij vergeleek hem met een gorilla, ook omdat het mooi rijmde op Manilla. Frazier toonde zich diep beledigd, hij nam geen genoegen met de excuses die Ali hem via Fraziers broer kort na het gevecht aanbood. „Hij zei het tegen jóú, niet tegen mij.”

Jaren later bood Ali in The New York Times opnieuw zijn verontschuldigingen aan: hij had het gedaan om het gevecht te promoten. Maar Frazier bleef onverzoenlijk. Als hij beelden van Ali zag als Parkinson-patiënt – veroorzaakt door het boksen – zei hij triomfantelijk: „I did that to him.”

Het was vermoedelijk nog waar ook. Ali won uiteindelijk, maar het was op het nippertje. Na de veertiende ronde was Ali zo murw en uitgeput dat hij wilde opgeven. „Snij mijn handschoenen maar open”, zei hij tegen zijn helpers. Zij negeerden de opdracht, maar in de andere hoek van de ring greep een helper van Frazier wél in.

Frazier – het was een goed bewaard geheim – bokste al jaren met een vrijwel blind linkeroog. Omdat door de slagen van Ali zijn rechteroog dicht raakte, vond de helper het niet langer verantwoord door te gaan, hoezeer Frazier daar ook op aandrong. Die helper heeft zijn beslissing nooit betreurd. „Geen sprake van”, zei hij jaren later, „ik heb acht mensen in de ring zien sterven, ik wist wat ik deed.”

Van al die omstandigheden was ik destijds als kijker onkundig. Ook na de herhaling van zaterdagavond bleven ze in de tv-studio goeddeels onbesproken. Jammer, want zulke feiten laten weinig heel van de romantiek die destijds rond het profboksen hing dankzij Ali’s charisma.

Het was valse romantiek, weten we inmiddels uit allerlei boeken en films. Vooral het boksen bij de zwaargewichten was big business, van de geënsceneerde kunstjes van Ali tot de verzwegen blessures en de grote medische risico’s waarvan Ali ook zelf het slachtoffer werd.

Zaterdagnacht merkte ik dat ik met de kennis van nu een veel sceptischer kijker was geworden. Ik zag met weerzin hoe twee mannen elkaar tot moes sloegen. Sterke mannen die wel tegen een stootje konden, dacht je destijds. Maar de een werd later dankzij die stootjes een ernstig zieke man en de ander eindigde als een verbitterd mens die zich beroofd voelde. „Had je dan levensgevaar willen lopen?” vroeg iemand aan de oude Frazier. „Ja”, zei hij.

Ook in de tv-studio vielen nu wat kritischer geluiden te horen. „Je ziet hier het afschuwelijke van boksen”, waarschuwde Kees Jansma. „Het was een moorddadig gevecht met nadruk op ‘moord’”, zei Ruud ter Weijden, destijds tv-commentator bij deze gevechten. Na afloop voegde hij eraan toe: „Ali had het niet moeten doen.”

Conclusie: we hadden destijds beter moeten luisteren naar de critici van de bokssport, zoals sportjournalist Ben de Graaf.

    • Frits Abrahams