Mijn typemachine schrijft in mij

Hoe vind je als columnist je toon? Balancerend tussen het nieuws, mijn eigen bevindingen, mijn inzichten en mijn gevoel. Soms verrast, als ik de kans krijg in een wereld te kijken die ik niet ken. Soms met mededogen, soms kwaad over zelfgenoegzaamheid. Nooit neem ik handenwrijvend plaats achter mijn laptop, altijd is er de zorg dat ik het niet kan vangen, het idee dat ik heb. En als het stukje dan toch z’n vorm heeft gevonden, is er even opluchting.

Toen ik ruim een jaar geleden begon, had ik als voorbeeld de journalisten van de rubriek The Talk of the Town in The New Yorker. Kleine zorgvuldig geobserveerde portretten, van Thomas Mann in Princeton in 1938 of van Bill Clinton’s speechschrijver in 2000. Reportages uit de Bronx en tussen de verwende tieners van Madison Avenue, opgetekend door Lillian Ross, nu 97 of 98 jaar oud.

In deze inkijkjes in de Amerikaanse samenleving van de 20ste en 21ste eeuw neemt de journalist altijd de werkelijkheid als uitgangspunt, de dialoog en het detail als stijlmiddelen en de moraal als sluitstuk – als er al sprake is van een moraal. Iets te weinig visie voor een column, vond ik. En iets te weinig gevoel in het koele ‘opnoteren’.

Clarice Lispector, een columnist met een hart dat soms begrijpt

Nu lees ik het pas vertaalde werk van een columniste die in die omissie voorziet: de Braziliaanse Clarice Lispector. Tussen 1967 en 1973 schreef zij in de zaterdagkrant van Jornal do Brasil. Ook zij baseert zich op de werkelijkheid, maar haar zintuigen doen niet hun best die neutraal te registreren. Haar berichten uit de tijd van de Braziliaanse militaire dictatuur zijn persoonlijk en poëtisch. Flarden soms, herinneringen, zo slordig als Fritzi Harmsen van Beek dichtte en dan toch de kern raken kon.

„Is een column een verslag”, schrijft Lispector in 1968. „Is het een gesprek? Is het de weergave van een gemoedstoestand? Ik weet het niet. Meteen nadat ik met de krant had afgesproken om dit hoekje te vullen, stierf ik van angst.” Maar met elke column die ze schrijft, staat er iemand die een Salomonsoordeel kan vellen, over leiders en over slachtoffers. Die zichzelf al schrijvende leert kennen, in de cadans van haar typemachine.

„Mijn typemachine schrijft in mij.” Streng voor zichzelf en voor anderen. Ze is geen intellectueel, schrijft ze. „Wat ben ik dan? Ik ben iemand met een hart dat soms begrijpt. Maar ik ben vooral iemand wier hart opspringt van vederlichte blijdschap als het haar lukt om in een zin iets te zeggen over het leven van mens of dier.”

Je licht laten schijnen op iets wat nooit iemand heeft gezien – dat is het idee.